In 24 uur van west naar oost langs de IJ-oevers; De desolate stadsrand

Aan de Amsterdamse handelskades, waar de levendigheid is uitgedoofd, zijn de loodsen, de kranen, de sporen en de kades overwoekerd. Voor de stadbestuurders werd deze witte vlek op de stadsplattegrond een ideale parkeerhaven voor maatschappelijke problemen. Tippelaarsters, zwerfjongeren, ontruimde krakers - aan de IJ-oevers ruim voorhanden. Pioniers - krakers, kunstenaars, rommelaars - hebben de afgelopen vijftien jaar de werkloze bedrijfsgebouwen veroverd en de leegte nieuw leven ingeblazen. Maar sinds kort rukt de orde van de stad op aan de ruim vijf kilometer lange strook aan het IJ. Dag en nacht aan de rafelrand van Amsterdam.

Ka-doeb, Ka-doeb, III-iii, III-iii, Boem-broem, Boem-broem. Van schip naar kade, van kade naar schip gaan de kranen. In de Houthaven, bij Timber Terminal Amsterdam wordt een Canadees gelost. Rook uit de schoorstenen snijdt grijs door de hemel boven de Petroleumhaven, de elektriciteitscentrale en de vuilverbranding daarachter.

Half zeven, de zon is de stad binnengekropen en het Distelwegveer vaart de eerste arbeiders over van Amsterdam-Noord naar Amsterdam-West. Aan stuurboord zoemt en dampt het westelijk havengebied. Voor ons, in het hart van de stad, slapen de kantoren en de winkels nog en hebben de cafés net iedereen naar bed gestuurd. Het IJ kabbelt tegen de oevers.

Amsterdam en het water: de bron van zijn bloei en van zijn welvaart, zoals stadshistoricus H. Brugmans schreef. Het water dat cacao naar de stad voerde en kruidnagelen, thee, hout, rogge, tarwe, ijzer, kokos, kolen, rubber, buskruit, zwavel, salpeter, koper, haring, pelsen, ossen, laken, wijn, zout, pigment, zilver, goud, tulpen - alles wat geld opbracht.

“Langs deze flauwe, drie kilometer lange bocht was voor de stad een compleet waterlandschap ontstaan, door aanlegsteigers in paden en velden verdeeld, met grote schepen aan de palen en talloze kleinere dobberend in de velden.” Zo beschrijft Geert Mak in Een kleine geschiedenis van Amsterdam de aanblik van de zuidelijke IJ-oevers in de zeventiende eeuw. “Eeuwenlang zou dit landschap de overgang van de stad naar het water bepalen - totdat het Centraal Station de stad definitief van het IJ afsloot.”

Sindsdien, sinds het laatste kwart van de vorige eeuw, is de levendigheid aan de handelskades uitgedoofd. De haven verschoof naar het uiterste westen van de stad en de loodsen, de kranen, de sporen en de kades werden overwoekerd tot haast iedereen vergeten was dat ze er hadden gestaan. Voor de stadbestuurders werd deze witte vlek op de stadsplattegrond een ideale parkeerhaven voor maatschappelijke problemen. Tippelaarsters, zwerfjongeren, ontruimde krakers - de IJ-oevers zijn er mee bespikkeld.

Maar er zijn ook wilde bloemen opgeschoten in het gebied. Pioniers - krakers, kunstenaars, rommelaars - hebben de afgelopen vijftien jaar de werkloze bedrijfsgebouwen veroverd en de leegte nieuw leven ingeblazen. Hun domein herken je aan de deurbel. '4 Klaasz om de hoek lopen ± 150 m. Aan touw trekken of roepen (bij rode kast aan muur!!) See ya...'. 'Jaap & co. Touw bij regenpijp ± 15 cm aantrekken dan gaat de deur vanzelf open na ± 5 minuten'. 'Bart. Ik heb geen bel. Gooi steentjes tegen mijn raam'.

De IJ-oevers zijn herontdekt als een potentiële goudkust voor de stad. Een totaalplan, dat het hele gebied van de Houthavens tot het eind van de Oostelijke Handelskade in één adem zou inrichten, bezweek twee jaar geleden onder zijn eigen ambities. Maar sinds kort is de gemeente serieus aan het harken in deze woeste tuin. De orde van de stad rukt op en in de ruim vijf kilometer lange strook aan het IJ wordt de wanorde teruggedrongen in steeds kleinere perkjes.

Bij de aanlegsteiger van het Distelwegveer staat een wegwijzer die de de buurt overzichtelijk moet houden. Rechts gaat het naar het Soc. med. centr. Houtrak, de Speel-o-theek 't Speelkwartier, de Sociaal raadslieden, Buurthuis Verzet en nog zo wat. Wij wandelen de vroege zon tegemoet. Zeven uur, de doordeweekse ochtendfile voor de Coentunnel begint zich te vormen.

Veertien jaar geleden zocht Jaap den Baars een huis voor zichzelf en wat vrienden. Hij zag een dansvoorstelling in een leeg pakhuis aan het IJ, waar het werkverband 'Het Nederlandsche Veem' een eeuw geleden was begonnen met de op- en overslag van tabak, cacao en koffie. Tussen de zuilen van de voormalige monsterzalen op zolder, waar ooit de waren werden gekeurd, dansten de dansers die avond hun voorstelling.

Den Baars belde de toenmalige eigenaar en vroeg of hij een deel van het pakhuis kon huren. “Je kunt het ook kraken”, bedacht de interim-manager die hij aan de lijn had. Een gekraakt pand zou de eigenaar niet hoeven te slopen, dat zou de gemeente misschien zelfs van hem terugkopen.

Vier mensen duwden in 1981 de deur van Het Veem open. Fotograaf en filmer Josephine Hamming herinnert zich de eerste aanblik van de tienduizend lege vierkante meters. In het boekje Tien jaar zelfbeheersing schrijft ze: “Het gebouw telt zoveel gietijzeren pilaren als dagen in het jaar. Het gebouw staat aan de rand van de stad aan het water. In het centrum van Amsterdam en in het midden van nowhere. Ik zit in de maag van het gebouw.” Veertien jaar later is de geur van cacao, tabak en rattengif definitief uit het pakhuis verdwenen. Het Veem is nu een dak boven tachtig bedrijven en bedrijfjes. Ateliers, een computeradviesbureau, een theater, een restaurant, een reisbureau, een lijstenmaker, een onderzoeksbureau, een smid, meubelmakerijen, een impresariaat, en natuurlijk een drukkerij en een muziekstudiootje - twee wezenskenmerken van grote kraakpanden.

Paul Leigraaff van restaurant Eten in Het Veem betrekt zijn eten van de kok die een verdieping lager werkt. Zijn bar is ontworpen door een van de kunstenaars in het gebouw en gemaakt op een draaibank in het souterrain. Wat ooit het ideaal was van een 'heftig' kraakpand als Wyers, ontruimd in 1984, staat nog altijd overeind aan de Van Diemenstraat. Een collectief beheerd pand met kleinschalige bedrijvigheid tegen betaalbare huren. Het pand is verkocht aan de gebruikers van destijds. Krakers waren ze, maar bijzondere krakers. In taai overleg met de gemeente hebben ze een werkpand gerealiseerd waar voor vier miljoen gulden aan is verbouwd. Nog steeds klinkt overal getimmer, geboor en gezaag. “We zijn nu bezig het pand representatiever te maken”, zegt een van de eerste krakers met een verontschuldigend lachje.

De buren van het Veem zijn zo ver nog niet. Het reusachtige complex van de graansilo, waarvan het voorste deel als een grijze berg uit het water oprijst, wordt weliswaar bewoond maar nog verre van 'legaal'. Over een paar jaar kan het gebouw opgedeeld zijn in sociale woningbouw, maar kan het ook tot luxe-appartementen zijn omgetoverd - de gemeente moet nog beslissen. Tot zolang blijven de gebouwen op de strekdam een vrijplaats voor ondernemende Amsterdammers, zoals Marcel die een feestruimte exploiteert onder de stortvloer.

Er waren ook mensen die van de graanzolder een dansvloer hadden willen maken, maar met alle stortgaten is dat levensgevaarlijk. Vanonder elk ijzeren deksel gaapt een stortkoker van 28 meter. Er liggen hier wel wat matrassen, maar dat zijn de logeerbedden voor de Amerikaanse band die vanavond beneden optreedt. Ze hebben uitzicht rondom: het Noordzeekanaal links, het IJ rechts, de stad achter hun rug. En daar beneden ligt wat ooit 'het grootste werkgelegenheidsproject voor allochtonen' had moeten worden, wijlen de Y-markt.

Er hangt nog een handgeschreven bord aan een paal op de Westerdoksdijk, dat je gratis kunt parkeren bij de Y-markt. Maar de blauwe loods ertegenover is allang dicht. De bruine parkeerboot ligt ernaast als een uitgeblazen accordeon, de oprit geblokkeerd met een ijzeren drempel. De jolige krijtletters 'uitheemse markt' en de naam van Marokkaans eethuis Chab op de muur zijn vloeken aan het adres van het gemeentebestuur dat het project liet verpieteren tot de loods wel dicht moest. De bewaker die zijn stoel buiten heeft gezet is de enige die hier nog werk heeft; hij wacht tot de nieuwe huurder, de reinigingsdienst, zijn intrekt neemt in de loods. De parkeerboot wordt binnenkort de stad uitgesleept. “Anders brengt-ie de parkeerbalans uit evenwicht”, zegt een ambtenaar.

Er zijn eigenlijk drie Westerdoksdijken. Als je vanaf het IJ kijkt, zou je kunnen onderscheiden. Er is de officiële, waar het verkeer overheen raast en waar de Ymarkt, een pompstation en een bedrijfsgebouw aan liggen. Daarachter de informele, een binnenstraat tussen het voormalige goederenspoor en een rij lage loodsen die in de jaren tachtig zijn gekraakt en waar nu vooral ateliers zijn. En nog daarachter, tegen het water van het Westerdok aan, de clandestiene: een laantje dat wordt gedeeld door de kunstenaars van de informele dijk en de woonbootbewoners. De IJ-oever-ambtenaren hadden er vorig jaar nog een wandelingetje georganiseerd. De politici en andere genodigden genoten van de spannende plekken die ze ontdekten. Maar op de bouwtekeningen is de clandestiene Westerdoksdijk allang verdwenen.

De bocht om naar het oosten, ingeklemd tussen het Centraal Station en het IJ, ligt de De Ruyterkade. Dit is geen straat, dit is een treeplank, vanwaar mensen opstappen op trein of boot. Tot 1 januari was het een halteplaats voor hoerenlopers. Op de kade werd tippelprostitutie door de vingers gezien, al werden de vrouwen vrijwel elke week wel een keer opgepakt. Uitgeteerde verslaafden, vaak uit Oost-Europa, die voor een paar tientjes bij hun nachtelijke klanten in de auto stapten en die ergens op de kale kades aan hun gerief hielpen. Vroeger hadden ze door de binnenstad getippeld, liefst over de grachtengordel. Maar daar woonde de burgemeester ook en die liet de vrouwen naar achter het station verhuizen. Daar zouden ze weinig mensen lastig vallen. Maar de spoorwegen hebben inmiddels ook plannen met hun stuk IJ-oever. Het spoor gaat breder, de achterkant van het station moet mooier worden en daar passen geen hoeren meer bij. Ze zijn voorlopig opzij geveegd, naar een oostelijker deel van de IJ-oevers. Die komen we straks ook nog wel tegen, aan het eind van de Piet Heinkade.

Wie wel eens aan boord van een schip is gegaan in Brindisi of Odessa, die ziet het meteen als-ie op de Oostelijke Handelskade langs de Passagiers Terminal komt. Amsterdam is geen havenstad. Geen snoepverkopertjes, geen opgewonden souvenirhandelaars, geen ritselaars of smokkeltypes. Op het grote parkeerterrein ernaast staan wat auto's, maar die hebben met de haven niks te maken - ze zijn het residu van de stad.

De NL Parkingservice parkeert in de haven. Beroepsparkeerders, die profiteren van het strenge autobeleid in Amsterdam. Zoals de tippelhoeren naar de De Ruyterkade en de langdurig werkloze marktlui naar de Westerdoksdijk zijn verplaatst, zo zijn de auto's naar de leegte van de IJ-oevers gedirigeerd. Zaterdagavond is het terrein vol als een veerpont, vanmiddag staat er een klein rijtje toeristenauto's. “Van onze hotelservice”, legt de beheerder uit.

Een boot is een zeldzame verschijning aan deze kade. Het uit slagroom opgetrokken cruiseschip Royal Princess meerde vorige week even aan. De toeristen wandelden met hun koffers door de Terminal, stapten in de bus en reden weg. Geen mens sloeg acht op deze zeereizigers, zij sloegen geen acht op de Piet Heinkade. Waarom zouden ze ook, er woont geen mens meer sinds Zeezicht, het pension voor zwerfjongeren, dicht is.

Een gebouw als een langgerekte jammerkreet. 'Theo Moet Terug Klootzakken'. 'Alle Rotterdammers Zijn Kankersukkers'. 'Wij Jooden Gaan Feyenoord Dooden'. Die laatste leuze, die wel honderd keer is neergestift op de muren van het trappenhuis, moet wel van Frans zijn, die is helemaal Ajax-gek.

Zeezicht is dicht, want het pension was failliet. De medewerkers gingen er begin deze zomer uit, de jongeren bleven iets langer, want waar moesten ze anders heen? De meesten hadden de hele stad al rondgezworven voor ze in Zeezicht waren beland. Nu hadden ze de diepvrieskist vol eten gegooid en zolang de gemeente hun elektriciteit bleef leveren zou niemand ze eruit krijgen. Maar na een week sloeg de verveling toe, of de woede, en een van de jongens duwde de tv van tafel. Dat was voor de rest het sein om het hele gebouw kort en klein te slaan. Toen gingen ze er zelf maar uit.

Voor Frans was het de derde verhuizing in een jaar. Vóór Zeezicht woonde hij, onder de hoede van een welzijnsstichting, in een bedaagde straat naast het Vondelpark. Dat kon nooit goed gaan. Altijd klachten van de buren, of hij nou met de radio meezong of dat-ie een Ajax-vlag uit zijn raam hing. “Ik ben te vrolijk”, had Frans die laatste Zeezicht-dag gezegd en hij stiftte de lekke voetbal over de grinten bloembak.

Hotel Afrika op de Oostelijke Handelskade, tegen drie uur 's middags. Daar logeren Josephine en Karl, twee Oostenrijkers. Ze moeten naar een afspraak in de stad, dus veel tijd om te blijven praten hebben ze niet. Karl raast met wat shampoo door zijn blonde haar, Josephine reikt hem de fles water aan. Haar eigen krullen trekt ze snel door een elastiek, zo moet het maar weer.

Anderhalve matras op elkaar en een slaapzak, meer is de kamer van Karl en Josephine niet. Twee dekens, een lap en een bruine stoel zijn de deur en de muren. Ze hebben het nog altijd breder dan hun buurman rechts, die heeft alleen zijn slaapzak. De Arabische jongens links zijn bijna rijk, die hebben zelfs vuilnis. Ze gooien de zakken over het hek bij pension Zeezicht. “Als zij de kans krijgen, trekken ze je matras onder je kont vandaan als je slaapt”, zegt Karl. “Je kunt hier als meisje maar beter niet alleen wonen”, zegt Josephine.

Karl en Josephine wonen voorlopig op en onder de laadperrons van het oude pakhuis Afrika, schuin achter Zeezicht. Ze waren hun huis uitgezet en je moet toch doorkrabbelen, zegt Josephine. Onder haar nagelriemen zitten resten rode lak. Wie nergens meer woont, kan het altijd proberen in Hotel Afrika, zoals ze het noemen. Van het Stoelenproject krijgen de logés in de winter wel eens een deken en van de Zusters der Liefde krijgen ze wel eens wat te eten. “Ontbijt op bed”, zegt Karl.

Af en toe passeert een auto. Soms zijn het ongeduldige hoerenlopers die niet weten dat de tippelzone pas 's avonds 'opengaat'. Soms zijn het nieuwsgierige families die een nieuwe vorm van ramptoerisme hebben gevonden. 'Kijk, daar wonen de daklozen.' Komen ze 's avonds, dan schijnen ze met zaklantarens onder de laadperrons. Josephine steekt haar tong uit.

De volgende auto is van de politie. Die is Karl nog tienduizend gulden schuldig. Hij had een boek geschreven over zestien jaar leven op straat. De uitgever zag het boek helemaal voor zich en Karl kon zo tienduizend gulden krijgen. Juichend ging hij naar huis, maar de politie was die ochtend weer eens langsgeweest om de boel te ontruimen. En achter de politie-auto reed een vuilniswagen. Alles hadden ze erin gesmeten, de matras, de kleren, alle vellen van het boek. Tienduizend gulden! Hij zou met Josephine naar Spanje gaan. Tegenwoordig waarschuwt de politie een half uur tevoren dat de vuilniswagen gaat komen. De volgende schrijver in Hotel Afrika kan het erop wagen.

We moeten echt weg, zegt Josephine en Karl wrijft zijn hoofd nog een keer in de handdoek. Half vier komt de methadonbus en die moeten ze halen. Ze wandelen over het oude goederenspoor. De rails zijn volgewaaid met zand. Er groeit gras in, en paardebloemen.

Wie met de rails meeloopt, verder naar het oosten, voorbij het gekraakte vrieshuis Amerika, voorbij het gekraakte pakhuis Wilhelmina, de spoordijk over, staat opeens voor een echte buurt. Zeeburg is op weg een van de drukst bevolkte stadsdelen te worden: tussen nu en 2005 zal de bevolking verdubbelen.

Het Borneo-eiland is aan de beurt. De loodsen die er stonden, zijn gesloopt en het schiereiland heeft de aanblik van een gebombardeerd concentratiekamp. De brokstukken vormen een kiezelstrand waar boten hebben aangemeerd. De Tempo Doeloe, de Arno Forever en de boot van Jan Snor.

Omgetuimelde tv's, plastic bestek, een spatbord, antennes, vaten, een stofzuigerslang, twee onttakelde air-conditioners, flessen, een winkelkarretje, een uit Portugal geïmporteerde Anglia. Niet weggooien, want wie weet komt het nog van pas. Henk ten Cate was erin gespecialiseerd. Met zijn zoon en met zijn compagnon Kees Lodder. Handel in ijzer, in van alles en nog wat, en recyclen. Maar zijn plekje achteraan de kade is nu leeg. De zaken gingen slap en dus hebben ze een vriescompartiment in het ruim van de Bendix gebouwd. Als het goed is varen ze nu ergens rond Afrika. Ze wilden garnalen vangen voor de kust van Benin en daar verhandelen op de markt. “Ik heb weleens gevist”, verzekerde Lodder nog voor ze de trossen losgooiden.

Aan het begin van het eiland staat het enige gebouw dat aan de sloophamer is ontkomen. De eeuwige Provo Robert Jasper Grootveld woont er met Thea Keizer. Zij geloven in piepschuim. In de Open Vennootschap De Oceaan (want de oceaan is van iedereen) bedenken zij projecten. En hun ideeën zijn onuitputtelijk, want piepschuim kan overal voor worden gebruikt. Het zinkt niet en het is groeizaam. Dat de gemeente Amsterdam even verder naar het oosten een nieuwe wijk, IJburg, in het water verànkert, is een schande. Als de duizenden nieuwe huizen op piepschuim zouden worden gebouwd, had je een dobberende wijk gekregen waar de zee vrij omheen en onderdoor kon stromen.

Voor hun huis drijft het bewijs. Het vlot De Manager/De Yuppie is een piepschuimen tuin geworden, waar koolzaad bloeit, zonnebloemen, bieslook en waar de masttouwen met bruidssluiers zijn omwikkeld. Aan de overkant van het water, tegen de oude pakhuizen van het Entrepot aan, waar nu allemaal mensen wonen, ligt nog een vlot. Het is een kleine boomgaard van wilgen. Een paar jaar gelegen hebben ze er mede-Provo Hans Tuinman opgebaard toen die was overleden.

Het Verre Oosten van de stad is het eiland dat is genoemd naar de Koninklijke Nederlandse Stoomboot Maatschappij (KNSM). Zes, zeven jaar geleden was het de kleurrijkste plaats van Nederland. Krakers en kunstenaars hadden bezit genomen van de oude loodsen van de maatschappij. De grootste geluksvogels zaten in de voormalige bedrijfskantine, een sculptuur van steen en glas op hoge poten, het gezicht naar het water gekeerd. Ze noemden het Edelweiss. Daarna kwamen de 'nomaden' in woonwagens en caravans. Later trokken ook de meest kansloze stadsbewoners naar het eiland - zwervers, junks, hoertjes.

Bij het voormalige gebouw van de havenpool SHB, pal over de verbindingsdam van de Oostelijke Handelskade naar het KNSM-eiland, knielt Steve in de omgewoelde aarde. Hij koestert een rijtje bloemen langs de zoom van zijn tuintje. Een kleutermeisje, niet het zijne, loopt er dwars doorheen en gaat de trap naar het huis op. Ze blijft even staan om te zeggen dat ze in haar broek heeft geplast.

Steve is beeldend kunstenaar. Ook hij kwam aan de woeste rand van de stad terecht toen hij in 1986 een huis zocht. Dit voormalige kantoor van de havenpool stond gewoon te wachten op een nieuwe bestemming en de krakende kunstenaars wisten er wel een. Af en toe kwamen er oude havenarbeiders kijken op dit deel van het KNSM-eiland, met op hun netvlies nog de schepen die links grind en hardsteen hadden gelost, rechts thee en cacao.

Pal tegenover Steve's tuintje bouwt woningbouwvereniging Het Oosten sociale woningbouw. “Het is bewoonde wereld geworden”, zegt Steve. En de voormalige krakers vonden het eigenlijk ook wel minder vermoeiend, zo. Toen in 1991 eindelijk een officieel huurcontract met de gemeente was gesloten, volgde negen maanden later een kleine geboortengolf in het SHB-gebouw.

Het zijn dus de 'overlegpanden' die het hebben overleefd. Paul Leigraaff, de restauranthouder van Het Veem aan de westkant van de IJ-oevers, woont op Levantkade 10, een in overleg met de krakers verbouwde loods op het meest oostelijke puntje van het KNSM-eiland. De bewoners van de woonwagens en de provisorische tentjes van de stadsnomaden zijn op een ochtend van het eiland gegooid. Vloekend op de kunstenaars en krakers die het voor elkaar hadden en mochten blijven.

Ja, ze zijn gebleven, maar inmiddels zijn ze ingehaald door een zekere weemoed. Aan de muur bij Paul Leigraaff hangt een tekening van de kolenverplaatser, een kleine versie van de Eiffeltoren die tegenover zijn huis had gestaan. Soms dan zat je in huis, vertelt Paul, en dan was het of iemand alle gordijnen dichttrok, zo hoog was het schip dat langs kwam varen. De kolenverplaatser haalde de lading van boord en zwaaide het op de kolenwagons.

Nu ruikt de KNSM-laan niet meer naar kolen, naar oud ijzer of desnoods naar bier, maar naar gemaaid gras. “Als je nu nog eens je vuil probeert te verbranden, zoals vroeger, slaat de hele buurt meteen op tilt”, zegt Paul. “Dan staan er zo drie brandweerwagens voor de deur.” Hij wijst naar de overkant van de laan. “Er loopt nooit iemand door de voordeur naar binnen. Ze gaan allemaal achterom, met de auto via de parkeergarage.” De nieuwe buurt kondigt zich met grote reclameborden aan. De namen van de nieuwe huizen verwijzen niet meer naar het verleden, zoals Loods 6 of het SHB-gebouw, maar naar de toekomst en heten Emerald Empire of Skydome of My-Side en ze hebben 'intelligente voorzieningen m.b.t. het wooncomfort'. Achter Loods 6 poseren vijf kortgerokte meisjes met kleurige telefoonhoorns in hun hand. Dit is nog een beetje een 'wild' hoekje achter alle nieuwbouw en fotografen mogen graag het contrast zien tussen de gelikte modellen en een grungy achtergrond.

Het is een saai yuppie-eiland geworden, mopperde schipper August Dirks een paar maanden geleden en hij voer zijn narrenschip Azart de haven uit. Zes jaar had hij voor anker gelegen achter het KNSM-eiland. Als het goed is dobbert hij nu ergens op de Neva, in Sint Petersburg, met zijn zotskap, zijn galajasje en zijn plastic puntoren en de vrienden met wie hij van zijn boot een groot muziekinstrument heeft gemaakt. Hij heeft alleen een straatnaam achtergelaten: het Azartplein. Nu wordt het gedomineerd door de enige kruidenier aan het IJ, de Albert Heijn.

Kwart over zes en de supermarkt is nog een kwartiertje open, speciaal voor de werkende mensen. Het prikbord hangt vol met kaartjes waarin wiegen en kinderfietsen te koop worden aangeboden. Er zijn speciale winkelkarretjes op kinderhoogte en voor wie zich verveelt terwijl vader of moeder het eten haalt, staat er een hobbeldier.

Half negen 's avonds in het Einde van de Wereld, het kraakpand/restaurant op het andere deel van het KNSM-eiland, Java-eiland genoemd. “Is vis ook vegetarisch?” vraagt Frank aan de kok. Een echte vega, legt de kok uit, eet ook geen vis. Frank neemt de aubergineschotel. Het einde van het Einde van de Wereld kondigt zich aan in de vorm van rijtjeshuizen: direct naast het oude gebouw staan de karkassen al van een heel nieuw wijkje. De gemeente laat over de breedte van het eiland sleuven graven, zodat Amsterdam voor het eerst sinds de zeventiende eeuw weer een nieuwe grachtengordel krijgt. Een kraakpand past daar niet bij.

Claud Terletski schuift aan. 'Speciaal voor heksen, kwakzalvers, keukenmeiden en andere mensen' heeft zij een boekje uitgegeven, waarin zij alle wilde planten inventariseert, die zij op het eiland heeft aangetroffen. Dat waren er een jaar geleden nog zo'n 175, van het akkervergeetmenietje tot de zwaluwtong. Nu zijn het er al minder en straks is er alleen nog gazon.

Plotseling zitten we in een Franse roadmovie. Half één 's nachts, we zijn even teruggelopen naar de Oostelijke Handelskade. De gedoogzone voor tippelprostituées beleeft zijn drukste uur. In januari moesten de vrouwen hun boeltje oppakken achter het Centraal Station en voorlopig hun klanten lokken naar de Oostelijke Handelskade. De bewoners van de rijtjeshuizen en de bewoners in spe van My-Side hebben zo hard ze konden 'fuck off' geroepen. Tegen de gevel van pakhuis Wilhelmina hebben ze een gipsen hand geplakt, met de middelvinger omhoog, maar het mocht niet baten. De gemeente grendelt van negen uur 's avonds tot zes uur 's ochtends een klein stukje asfalt af waar automobilisten - tippelprostitutie is drive-in seks - rondjes rijden langs verweerde, meest verslaafde vrouwen.

Drie mannen in een Opel. De vrouw hangt tegen het portier aan en aarzelt. Drie mannen. “Ik kom zo terug”, zegt ze. Alles in haar weet dat ze niet moet instappen. De drie mannen weten ook dat zij dat weet en ze geven gas tot bij de volgende vrouw. Ook zij aarzelt.

Kijk, daar loopt Oostenrijkse Josephine - haar nagels zijn nu vol rood. Vanuit de schaduw van de pilaren onder Vrieshuis Amerika houdt Karl een oogje in het zeil.

De gemeente heeft tegenover pakhuis Wilhelmina speciale schotten neergezet waartussen auto's kunnen parkeren. Er staat een prullenbak bij, een stickertje wenst hoer en klant een vriendelijk 'Vrij Veilig' toe.

De auto's blijven maar rondjes rijden. Alsof de verwoeste vrouwen op een magisch moment zullen veranderen in prinsesjes. Of wachten ze tot de prijs daalt? Op de hekken tussen de pakhuizen staat 'Verboden af te werken op de kades'. Afwerken is wat een ambtenaar zich voorstelt bij klaarkomen. Naast het verbodsbord hangt een briefje met dat het feest achterom is.

Feest in Vrieshuis Amerika. De kolossale silo aan de Westerdoksdijk heeft hier zijn oostelijke contragewicht. Het Vrieshuis is even lapidair, even ondoordringbaar als de silo. Zijn rug staat pal aan het water, zijn buik hangt over de tippelzone. De ingang is aan de duistere kade, tegenover de binnenvaartschepen. Er leunen misschien dertien fietsen tegen de gevel. “Jullie zijn vroeg”, vindt het meisje achter de kassa. Acht halve trappen hoger is de eerste deur die open gaat. Een koperen waterleiding valt uit een gat in het plafond naar de wc. Woordloze muziek. In het halfduister schieten rolschaatsers voorbij. De zaal in de buik van het Vrieshuis is ingericht als een willekeurige Main Street in een willekeurige western town: een laundry, een saloon, een hotel. Er wordt paddestoelenthee geserveerd en, onder de toonbank, een enkel pilletje.

Edith en Viktor zitten in het 'hotel', ieder met een band om het hoofd en een klappertjespistool tussen hen in. De weddenschappen voor de Russische roulette zijn geopend en als na vijf klikken het pistool beng doet, zakt Edith naast haar stoel. Niemand hoeft zich hier te vervelen tot het licht wordt.

Maar dan is de gezelligheid er ook wel af, buiten op de Piet Heinkade. Een man holt naar de bushalte, maar er is geen bus te bekennen. Voor Milly zit het werk erop. De tippelzone gaat zo dicht, de enige auto die er nog staat is van het politieteam Balistraat. “Neem me achterop”, vraagt ze aan een late fietser. Met een stalen kam en lippenstift in haar hand zit ze bij hem op de bagagedrager, op weg naar het pontje. Over een kwartiertje is ze weer thuis in Amsterdam-Noord. Zes uur, de zon is langzaam de stad binnengekropen.