'Ik wil niet wegpoetsen dat er fatsoenlijke Jappen waren'

VOORSCHOTEN, 22 JULI. Toen de oorlog uitbrak, zat Bep Stenger in de eindexamenklas van de HBS in Malang (Oost-Java). “Plotseling konden we niet meer naar school. Door de Japanners werd alle onderwijs streng verboden. Omdat mijn vader beroepsmilitair en majoor (bataljonscommandant) was, raakten we ook ons huis kwijt. In Malang werden we ergens anders ondergebracht. Gelukkig hebben we allemaal - op moeder na, die overleed op 9 augustus 1945 minder dan een week voor de Japanse capitulatie - de oorlog overleefd.”

“Ik was altijd al een branie, een meisje met kwajongensstreken. Toen we niet meer naar school konden, ging ik bij het Rode Kruis werken. Al gauw bleek dat een hol van verzet te zijn waar ik nauw bij betrokken raakte. We hielpen ondergedoken militairen die zich niet wilden overgeven om naar de guerilla-groepen in de bergen te vluchten. Mijn werk daar heeft niet lang geduurd. Er was veel verraad. Met gevolg dat ik in maart 1943 werd gearresteerd. Met twee jeeps, een personenauto vol gewapende Jappen en een overvalwagen kwamen ze aanzetten en werd ik van mijn bed gelicht. Ik mocht nog net een housecoat, een peignoir noemen ze dat in Holland, aantrekken voordat ik naar de Lowokwaroe-gevangenis werd gebracht.”

Bep Stenger is nu 73 jaar en voelt zich nog altijd een 'Indische mevrouw'. Ze houdt intens van de voormalige kolonie “waar we het zo goed hadden”. In 1984 kwam ze in Indonesië terug - voor het eerst sinds 1950 toen zij het land moest ontvluchten. Over een paar weken gaat ze er weer heen. Met de koningin mee. Bij het officiële koninklijke bezoek treedt Bep Stenger op als vertegenwoordiger van het 'Indisch verzet'; een groep die naar Bep zegt het gevoel heeft dat Nederland nu pas echt erkent dat er gedurende de Japanse bezettingstijd wel degelijk sprake was van verzetsactiviteiten, ook al waren de successen daarvan zeer gering.

Na de Nederlandse capitulatie voor de Japanners op 8 maart 1942 ontstonden er al snel diverse vormen van verzet die chronologisch twee perioden beslaan. Eerst de tijd tot eind 1943 en vervolgens de periode nadat alle burgerkampen vrijwel hermetisch van de buitenwereld waren afgesneden. In de eerste periode stond het verzetswerk grotendeels onder leiding van Hollanders. Na de overgave was er op diverse eilanden nog veel, maar vruchteloos militair verzet tegen de Japanners. In Atjeh werd tot in maart 1943 guerillastrijd gevoerd en op Nieuw-Guinea ging vrijwel de hele oorlog door. Één plaats in Nederlands-Indie, Merauke op de zuidwestkust van Nieuw-Guinea, bleef zelfs permanent onbezet.

Naast het militaire werk was er ook het semi-burgerlijke verzet van mensen zoals Bep Stenger. Behalve uit wapensmokkel en uit het illegaal luisteren naar de radio en doorgeven van berichten, waren er ook groepen die er vooral op uit waren om, zodra de Japanners zouden vertrekken, de openbare orde en het koloniale gezag te handhaven.

Toen in 1943 vrijwel alle volbloed Nederlanders in kampen waren opgesloten, werd het resterende verzetswerk door niet-geinterneerde Indo-Europeanen overgenomen. Zij voelden zich geïnspireerd door de geallieerde successen in de Pacific. Voor wie bij zijn of haar verzetswerk of om andere redenen, in handen viel van de Japanse geheime politie (Kempeitai) zag het er meestal heel slecht uit omdat deze politie in drie jaar ruim vijftienduizend personen (Europeanen, Indonesiërs en Chinezen) arresteerde. Niet minder dan een derde van hen werd geëxecuteerd (onthoofd) en zevenduizend mensen stierven in gevangenissen.

Bep Stenger moest zich in 1943 voor de Japanse krijgsraad verantwoorden voor haar verzetsactiviteiten. “Nadat de tenlasteleggingen waren voorgelezen, werden de vonnissen uitgesproken. Mijn naaste vrienden, Flip Bernard, Ferry Pleyel en Bruno Berler werden ter dood veroordeeld en met hen nog zes anderen. Op 31 januari 1944 werden zij onthoofd. Daarnaast werden er vonnissen uitgesproken van vijftien, tien en vijf jaar. Gody Meelhuysen en ik kregen elk tien jaar (...) In januari werden we weer op transport gesteld. Nu naar Semarang waar de vrouwengevangenis Boeloe ons wachtte. Boeloe was de vergaarbak van zo'n tweehonderd veroordeelde verzetsvrouwen en vrouwelijke politieke gevangenen uit heel Java. Ook zaten er een aantal Indonesische misdadigsters in ons groep. In de laatste maand werd de gevangenis nog uitgebreid met zes Nederlandse meisjes die in een of ander interneringskamp een vaderlandslievend liedje hadden gezongen.”

Ze aarzelt of ze dit wel mag zeggen. “Dan zegt men later weer dat het met het verzet in Indië en wat wij moesten doorstaan, wel mee viel. Maar toch, we hadden het in Semarang niet heel slecht. Ook heb ik gezien dat er fatsoenlijke Jappen waren. Dat wil ik beslist niet wegpoetsen. In Boeloe zaten nogal wat kopstukken uit het verzet zoals Wil Mendes da Costa en Corrie Altman, die eerder allebei de doodstraf hadden gekregen en verder Mies van Oort, Gody Meelhuizen, Soc Berg en Mieke Borgman Brouwer-de Jonge. Eind september 1945 kwamen we vrij en dat was een zeer twijfelachtige bevrijding. Voor ons géén bevrijdingsdag zoals de geschiedenis wel heeft geleerd.”