Het zijn de ondernemers die het 'm doen

Je hoeft geen marxist te zijn om te begrijpen dat ideologie vaak een afspiegeling is van een onontkoombaar geachte werkelijkheid. De voorbeelden liggen voor het oprapen. In het hoger onderwijs kwam het streven naar 'hoger onderwijs voor velen' pas op toen het grotendeels was gerealiseerd. En nu de instroom van studenten terugloopt, vinden we dat de universiteit er alleen voor de echt goede studenten moet zijn.

Op dezelfde manier holt de ideologie over volledige werkgelegenheid achter de feiten aan. Toen in de jaren '70 en '80 de uitstoot van banen uit de industrie dramatische vormen aannam, verzonnen we de vrijetijdsamenleving; we gingen werk en inkomen van elkaar loskoppelen en dachten dat het basisinkomen aan alle ellende een eind zou maken. Uitvoeringsorganisaties in de sociale zekerheid moesten zich niet zo star opstellen en elk sociaal plan waarin de WAO niet als afvloeiingsinstrument was opgenomen, werd door politiek, pers en vakbeweging als asociaal van de hand gewezen.

Tegen de tijd dat de nationale verzorgingsstaat onder het dode gewicht van inactiviteit dreigde te bezwijken, trok de mondiale economie een spurtje en zette de banengroei weer aan. Ineens werd alles weer op de kaart 'werk' gezet; volledige werkgelegenheid was gewoon een kwestie van doorzetten. Uitvoeringsorganisaties kregen een parlementaire enquête aan hun broek omdat ze indertijd naar de politiek hadden geluisterd, de WAO werd met malussen overladen en uitkeringsgerechtigden werden weer gewoon uitkeringstrekkers.

Om het ideologische gebruik van volledige werkgelegenheid binnen de perken te houden, zouden we de notie uit het woordenboek moeten schrappen. Daar is ook verder alle reden toe. Volledige werkgelegenheid is een breuk, waarvan alleen de teller redelijk precies is af te bakenen, maar waarvan de noemer even veranderlijk is als het weer. De teller wordt gevormd door het aantal mensen dat in het formele circuit werkt; de noemer door het aantal mensen dat in het formele circuit 'zou kunnen werken'.

Vooral dit laatste is ideologiegevoelig. In de tweede helft van de jaren '60 was de werkgelegenheid vooral daarom zo verschrikkelijk 'volledig', omdat vrouwen niet hoorden bij de groep die geacht werd te werken. We deden toen zelfs een beroep op mensen uit Marokko en Turkije, omdat we het werk hier niet meer aankonden. Niettemin was ook toen al het aantal mensen tussen 15 en 65 dat formeel werkte - de arbeidsparticipatiegraad - internationaal gezien laag.

Daarna is het in Nederland met de arbeidsparticipatie nog verder de verkeerde kant op gegaan. Dat werd aanvankelijk niet eens opgemerkt, omdat men zich door bovengenoemde werkgelegenheidsbreuk in de luren liet leggen. De noemer van de breuk werd stelselmatig klein gehouden, zodat de uitkomst nog alleszins redelijk leek. Weliswaar gingen steeds meer vrouwen buitenshuis werken, maar de verzorgingsstaat repareerde deze dreigende uitbreiding van de 'potentiële beroepsbevolking' met nieuwe volumebeperkende maatregelen, zoals de WAO en de VUT. Aldus kon de werkloosheidsstatistiek een draaglijk aanzien houden.

De arbeidsparticipatie daalde intussen naar een nationaal laagterecord van 51 procent in het midden van de jaren '80. Sindsdien is weer sprake van een lichte stijging tot 55 procent in 1995, waarbij overigens moet worden aangetekend dat deeltijdarbeid daarbij aanzienlijk heeft geholpen. Al met al is de arbeidsparticipatie in ons land nog steeds niet om over naar huis te schrijven; de maatregelen die thans rond WAO en VUT worden genomen dragen ertoe bij dat het beeld van werkloosheid en werkgelegenheid alleen maar realistischer zal worden.

Praten in termen van volledige werkgelegenheid en formele werkloosheidscijfers is dus kwetsbaar voor ideologische vertekening en leidt er gemakkelijk toe dat de objectieve stand van de arbeidsparticipatie uit het zicht verdwijnt. Heel wat werkloosheid kan op die manier worden 'verborgen' of ontkend. Nuchterder is het dan ook om eerst en vooral over arbeidsparticipatie te spreken en pas in tweede instantie aan te geven bij welk niveau van arbeidsparticipatie zoiets als volledige werkgelegenheid zou worden bereikt.

Hoewel dat nooit helemaal precies te zeggen valt, lijkt een arbeidsparticipatiegraad van 65-70 procent, dat wil zeggen een stijging met 10 tot 15 procentpunten, in de huidige Nederlandse verhoudingen nodig om in de buurt van volledige werkgelegenheid te komen. De omvang van de werkloosheid, alsmede de geschatte omvang van wat als verborgen werkloosheid moet worden aangemerkt, wijzen in die richting.

Of dat haalbaar is of niet, is voor de korte termijn niet zo belangrijk en hoort dan ook niet de primaire vraag te zijn. Belangrijk is dat we ons realiseren dat sowieso het arbeidsparticipatieniveau aanzienlijk moet worden opgekrikt om niet tezeer aan welvaart, sociale zekerheid en sociale cohesie te hoeven inboeten.

Het is buiten kijf dat daarvoor heel wat werk moet worden verzet. Er zijn drie manieren om aan de verhoging van de arbeidsparticipatie te werken. Als we het volume aan arbeidsjaren per jaar dat, buiten het formele circuit om, in zwart, grijs en (georganiseerd) vrijwilligerswerk zit, dichter in de buurt van het formele circuit kunnen brengen, dan scheelt dat in de meest voorzichtige schatting toch vlug zo'n 5 procentpunten. De verzorgingsstaat heeft de dijken om het formele circuit zo hoog opgetrokken, dat niemand nog in de gaten heeft dat het kwelwater er onderdoor is gelopen en een kunstmatig bassin van informeel werk heeft gevormd.

De tweede mogelijkheid betreft de geleidelijke voortgang op de weg van herverdeling en flexibilisering van arbeid. Dat proces ontwikkelt zich voor het grootste deel autonoom. Immers, terwijl het volume aan gewerkte arbeidsuren nauwelijks hoger is dan in 1950, zijn het nu geen 4 maar bijna 7 miljoen mensen die daarvoor verantwoordelijk zijn.

Maar verdeling leidt niet uit zichzelf tot groei. Daarom dient last but not least de vraagkant van de arbeidsmarkt, de ondernemingskant, aandacht te krijgen. Alleen via ondernemerschap en ondernemingsgezindheid kan werkgelegenheid en arbeidsparticipatie toenemen. Na jaren van ideologisch geïnspireerde veronachtzaming, waarin conserveren als toppunt van progressiviteit te boek heeft gestaan, ontstaat geleidelijk weer ruimte en waardering voor een ondernemende houding. Vooralsnog blijft het overigens bij nota's en notities. Maar er komt een tijd waarin die houding ook in daden wordt omgezet. En als iets goed is voor arbeidsparticipatie en werkgelegenheid, dan is het dit wel.