Het onbeschermde kind; Voor de klassieke kinderziekten zijn nieuwe in de plaats gekomen

Onderzoeksresultaten van schoolartsen doen vermoeden dat er een ziekmakend virus onder de Nederlandse jeugd rondwaart. Lichamelijke en psychische klachten blijken elkaar negatief te beïnvloeden; kinderen staan onder mentale druk omdat hun ouders te hoge verwachtingen hebben en uiten dat in de vorm van ziekten. Allochtone kinderen hebben vaak een nog slechtere gezondheid dan hun autochtone leeftijdgenoten. Wordt het Nederlandse kind inderdaad almaar kwetsbaarder? Ligt dat aan het wegvallen van beschermende factoren? Of erkennen we bepaalde kwalen sneller?

Het is even over acht als Eline de spreekkamer binnen schuift, haar leden nog scheef van de slaap. In een kingsize jack ploft ze neer op de eerste de beste stoel. Voor het eten heeft Eline vaak hoofdpijn, vertelt haar moeder, en soms plast ze 's nachts in bed. Verder weegt ze 29 kilo en is ze 1 meter 33. Is dat niet veel te klein voor haar elf jaar?

“Heb jij vaak een lege buik”, vraagt de schoolarts. “Nee.” “Hoe komt die hoofdpijn dan?”“Kweenie”. Maar zodra ze in haar onderbroek op de weegschaal staat, brandt Eline los. “Echt, ik eet elke dag drie keer”, zegt ze. 's Morgens brood, een kop thee en cornflakes; 's middags patat met frikadel; en 's avonds vlees of rijst met kip, banaan en ketchup. Alleen de groenten - die lust ze niet, dat heeft ze nooit gedaan ook.

De moeder komt tussenbeide. “Ze wil niets anders dan frieten. Een appel of boontjes, ik krijg 't 'r niet in.” De schoolarts knikt bedachtzaam. “Stel je moet een huisje bouwen van stro of van steen, wat kies je dan?” Eline knijpt haar ogen tot spleetjes. “Steen”, zegt ze, “da's veiliger tegen de regen en de wind.” “Bouw je dan nu een veilig huisje?”“Nee.” “Voor wie zegt je moeder dat je groente moet eten?”“Voor mezelf.” “Ga je dat ook doen?” “Ja, dokter. Want als ik groter groei willen mijn vriendinnen vast weer met me te spelen.”

Schoolarts C. Blaauw kan zich niet aan de indruk onttrekken dat “de gezondheid van kinderen op drift raakt. Of laat ik zeggen: dat kinderen vaker openlijk met vooral psychische problemen kampen. Bijvoorbeeld dat ze zich niet geaccepteerd voelen.” Blaauw houdt praktijk in Rotterdam-West. Vandaag staat een dag “hikken, slikken en prikken” op het programma. Kinderen rond de vijf, tien en dertien jaar zijn via school uitgenodigd voor een preventief gezondheidsonderzoek (PGO), dat ze drie keer in hun hele schoolcarrière ondergaan. Allemaal worden ze van top-tot-teen gemeten en bekeken, beklopt en beluisterd, gecheckt en geïnspecteerd. Lengte, gewicht, kelen, neuzen en oren en ook ademhaling en motoriek.

De jongsten krijgen de twee laatste prikken tegen infectieziekten, bij de middelsten let Blaauw vooral op groei en gewicht. Met de oudsten knoopt ze een gesprek aan voor een kijkje in de kinderziel. “Nu we de klassieke kinderziekten onder controle hebben, komen er andere voor in de plaats”, zegt de schoolarts. Wat haar daarbij opvalt is dat vooral de verschillen in gezondheid tussen scholieren zo toenemen, tussen de 'haves' en de 'have-nots', de (allochtone) achterstandskinderen. Die laatsten ziet Blaauw het meest: “Er is zo vaak zoveel mis. Eerst weet je niet waar je moet beginnen, maar uiteindelijk concentreer je je op een probleem. En waar je dan vaak op stukloopt is de matheid van ouders.”

Marihuana

Kinderen en adolescenten in Nederland zijn niet bepaald gezond, zo blijkt uit recente berichten. Een kwart van de middelbare scholieren heeft slaapproblemen en meer jongeren dan ooit bezochten de RIAGG, zo constateerden de schoolartsen. Het Nederlands Instituut voor Alcohol en Drugs stelde vast dat in 1993 drie keer zoveel scholieren als in 1984 marihuana gebruiken, en ook op jongere leeftijd. Het aantal leerlingen dat alcohol drinkt loopt iets terug, maar degenen die dat wel doen, nemen aanzienlijk meer in. De hoeveelheid rokers onder de scholieren stabiliseert zich, al groeit de groep tussen de tien en twaalf jaar.

Daarnaast is net als in 1980 een op de twaalf scholieren te zwaar voor zijn lengte, waarbij meisjes weer dikker zijn dan jongens en het hoogste percentage overgewicht te vinden is onder Turkse en Marokkaanse kinderen (16%). Dat stelde althans een recente TNO-peiling die 5515 onderzoeken van schoolartsen vergeleek, zonder overigens leerlingen van speciale scholen erbij te betrekken. Dezelfde peiling leverde ook enkele 'nieuwe' nooit eerder onderzochte data op. Een op de vijf leerlingen kampt vooral in de leeftijd van vier tot zes jaar met een lichamelijke beperking, die samenhangt met plassen en poepen, een beperkt uithoudingsvermogen door luchtwegklachten of een spraakstoornis. Vier op de tien leerlingen, meisjes vaker dan jongens, slikken de dag voor het bezoek aan de schoolarts medicijnen als pijnstillers, inclusief vitaminen en anticonceptiepil. Bijna tweederde neemt ze gewoon thuis uit het medicijnkastje; er komt geen huisarts aan te pas. En in het laatste nog niet gepubliceerde onderzoek vond TNO dat een op de zeven middelbare scholieren het ontbijt overslaat en genoegen neemt met een tussendoortje om de trek te stillen.

Wie alles optelt wordt er duizelig van. Waart er een ziekmakend virus rond onder de kinderen; wordt het Nederlandse kind almaar ongezonder? Of zijn onderzoekers en belanghebbenden doende hun subsidies veilig te stellen?

Zo er al antwoord gegeven kan worden op zo'n vraag, is dat nooit een volmondig ja of nee, reageert de Leidse kinderarts-epidemioloog prof.dr. S.P. Verloove-Vanhorick. Wie bijvoorbeeld lengte als maatstaf neemt, moet constateren dat kinderen in Nederland gezonder zijn dan ooit, zo blijkt uit dezelfde peiling van TNO. Jongens zijn gemiddeld drie centimeter langer dan in 1980, meisjes 2,5, al blijft de lengte van kinderen uit allochtone gezinnen beduidend achter. Een zelfde conclusie valt te trekken uit babysterfte. Nog nooit overleefden zoveel zuigelingen het eerste levensjaar. Van de bijna 200.000 baby's die jaarlijks worden geboren, overlijden er iets meer dan vijf op de 1.000. In 1980 waren dat er nog bijna negen. Alleen in Japan ligt dat cijfer veel lager. En ook zijn er veel minder kinderen ziek, want door adequate inentingsprogramma's zijn de klassieke kinderziekten nagenoeg uitgestorven. Behalve op de bible-belt en bij de antroposofen. Die laatsten weigeren vaccinatie omdat ze van mening zijn dat kinderen die geen kinderziekten krijgen de kans wordt ontzegd om kind te zijn.

Niettemin werden de klassieke kinderziekten ingeruild voor nieuwe ziekten. Of liever: andere 'volwassen' ziekten die zich niet beperken tot de kinderleeftijd kwamen 'bovendrijven', zegt Verloove. Aids bijvoorbeeld is een novum. Ook lijden er meer kinderen aan chronische ziekten. Zo registreerde TNO in 1990 13,2 gevallen van suikerziekte onder 100.000 jongeren in de leeftijd van 0-19 jaar, een stijging van 23 procent ten opzichte van 1980. Ook het kindertal dat in Nederland behandeld wordt voor astma, hooikoorts, bronchitis en allergie stijgt significant, net als het aantal kinderen met anorexia en boulemie. Waardoor de groei veroorzaakt wordt staat bij geen van deze aandoeningen nog vast. Is het een kwestie van verschuivende diagnostiek? Lijdt, in ons vocabulaire, Eline Veere aan anorexie, terwijl Couperus spreekt over hysterie en in katzwijm vallen. Of neemt het aantal zieke kinderen echt toe?

Verloove wil “absoluut geen moord en brand schreeuwen” maar “het zal haar niet verbazen” als over twintig jaar wetenschappelijk wordt aangetoond dat de lucht die kinderlongen te verwerken krijgen niet goed is. Luchtverontreiniging blijkt te knabbelen aan het immuunsysteem. Daarnaast wijst ze erop dat kinderen met chronische ziekten als diabetes, taaislijmziekte, cyste-nieren en hartafwijkingen, er vroeger eenvoudigweg aan doodgingen. Bovendien blijven er ook meer vroeggeborenen in leven die, zo blijkt uit onderzoek, relatief vaak last hebben van chronische klachten zoals leerstoornissen. Verloove: “In dat laatste geval kun je zeggen dat we als maatschappij ten onrechte de lat steeds hoger leggen. Scholen moeten bijvoorbeeld minder kinderen verwijzen naar het speciaal onderwijs, terwijl we steeds meer kwetsbare kinderen die hiervoor in aanmerking komen, in leven houden.”

Wellicht dat door diezelfde hoge eisen meer kinderen blokkeren door psychische problemen als stress, aldus Verloove. Want ook problemen van de kinderziel behoeven naar haar idee serieuze aandacht, al waren ze er vijfentwintig jaar geleden ook al. De kinderarts-epidemioloog: “Je ziet hierbij eenzelfde dilemma als bij de chronische aandoeningen: zijn het er meer of erkennen we ze sneller? Overigens zijn dit in historisch perspectief en ook wereldwijd bezien eigenlijk luxeproblemen.”

Handspiegeltje

Het is vier voor tien, de wachtkamer van de Rotterdamse schoolarts zit propvol. “Ga je weer op je hoofd krabben jij?”, snauwt een moeder naar haar kleuter, de blik onophoudelijk gericht op een handspiegeltje om haar lippen te stiften, “dan heb je hoofdluis en zeg ik het tegen de dokter.” De schoolarts duikt op in de deuropening. Ze steekt haar hand uit naar Melody, die amper elf is maar eruit ziet als een vamp van zestien. In de spreekkamer vertelt Blaauw dat ze van de meester gehoord heeft dat Melody een dikke buik heeft en zich daar zorgen over maakt. “Ik ben bang dat ik enge ziekte heb, iets ergs, iets waar ik aan dood ga”, fluistert Melody. Thuis wil ze haar stiefvader er niet mee lastig vallen want haar moeder ligt ook al in het ziekenhuis. “Weet je wat, dan ga ik je helemaal onderzoeken”, oppert de schoolarts, “wil je dat?” Melody knikt en gaat prompt in haar spijkerovergooier op de onderzoeksbank liggen. “Ja maar kind ik kan toch niet overal doorheen kijken?” Melody mompelt wat en trekt haar overgooier uit. Daarna laat de schoolarts haar uitvoerig ademen, en beklopt borst, buik en rug. “Ben je al ongesteld' “Ja, nu ook”. “Als ik hier naar deze plekken kijk zeg ik 't is helemaal goed”, concludeert Blaauw. “Dit is een kuiltje, als jij gaat staan gaat dat naar buiten bollen. Het is heus geen enge ziekte, echt niet, geloof je het?” “Ja-haa.” “Zal je het aan je moeder vertellen?”. “Ja, en o dokter, kent u iets waardoor ik veel magerder wordt?”

Dit meisje dacht dat ze kanker had, zegt Blaauw na afloop. Psychische problemen, de schoolarts komt ze steeds vaker tegen. Vooral onder oudere scholieren en ook in de betere kringen. Daar kan Hans Overheul over meepraten als vertrouwensdocent op het Erasmiaans gymnasium in Rotterdam. In de zes jaar dat hij zich inzet voor het geestelijk welbevinden van zijn leerlingen voelt hij zich steeds meer een “part-time ouder”. “Ze komen hier voor van alles. Het varieert van 'meester ik schaam me voor mijn pukkels' tot zelfmoord willen plegen. Ja, ook op het gymnasium. Ik heb vaak het idee, juist dóór het gymnasium. Kinderen stellen aan zichzelf hoge eisen en ook thuis zijn de verwachtingen hoog.”

Afgelopen schooljaar zijn ongeveer 70 van de in totaal 800 leerlingen op Overheul afgestapt, vaak meerdere keren, “omdat ze op slot zaten.” Kinderen die ruzie hadden met hun ouders omdat die niet tevreden waren over hun cijfers. Kinderen die hun leed verzonnen - een meisje bedacht dat ze verkracht was omdat ze haar eigen leven maar saai vond als ze het spiegelde aan de soaps op tv. En kinderen die zich eenzaam en verraden voelden, omdat hun ouders gingen scheiden, maar ook omdat hun ouders zo druk waren met hun eigen maatschappelijk succes dat kinderen werden vergeten, bewust of onbewust.

“Ik ken een jongen”, zegt Overheul, “veertien jaar oud. Hij woont bij zijn vader en diens nieuwe vriendin - samen hebben ze nu twee eigen kinderen. Die knul woont in de kelder, heeft geen verwarming, geen licht en geen stromend water. Hij mag alleen boven komen om te douchen, maar niet iedere dag. Er is geen afspraak meer met hem te maken, collega's worden er gek van.” Ook kreeg Overheul enkele tientallen leerlingen langs met faalangst. Een meisje nam alle pillen die ze thuis kon vinden mee naar school en slikte ze op de wc. Als het ziekenhuis niet aan de overkant had gestaan, waren ze te laat geweest.

“Ik heb zo langzamerhand het idee dat we op een kritiek punt zijn beland”, zegt Overheul. “Dat we op een punt komen dat kinderen eraan onderdoor gaan. Eenzaamheid heet die nieuwe kinderziekte. Lichamelijk zijn onze scholieren heel gezond, financieel hebben sommigen alles wat ze zich wensen kunnen, maar psychisch zie ik ze steeds vaker in de knel raken. Dan kun je natuurlijk zeggen: dat komt omdat je als vertrouwensdocent steeds bekender wordt. Maar dat is het niet alleen. Ik zie ouders steeds vaker verkeerde prioriteiten stellen. Ik weet het, dat klinkt normatief, maar ze nemen beslissingen die hun kind niet ten goede komen. Leggen hun beider glanzende carrières uit als een zegen voor hun gezin. Maar in feite wonen ze met vijf mensen in een huis, die niets meer met elkaar gemeen hebben dan eenzelfde achternaam.”

Overheuls vermoeden kan nog niet gestaafd worden met cijfers. Nederlandse psychologen als de Leidse hoogleraar R.F.W. Diekstra menen dat twee op de tien kinderen in Nederland last heeft van psychische problemen. In wetenschappelijke kringen echter is dat getal nog niet aanvaard. Zodoende is de vraag in hoeverre er sprake is van een toename helemaal een brug te ver.

Maar kinderpsychiater prof.dr. Ph.D.A. Treffers sluit groei niet uit, naar analogie van Amerikaans onderzoek van psycholoog Thomas Achenbach. Die concludeerde dat in 1976 bij 1 op de tien kinderen sprake was van 'klinisch relevante problemen', in 1989 bleek dat getal gestegen tot bijna twee op de tien (18 procent). Toegenomen waren klachten over eenzaamheid, angst, en het gevoel dat niemand meer om je geeft. Meer kinderen maakten bezittingen van familieleden en/of vriendjes kapot. En de onderzochte groep bezondigde zich vaker aan liegen en bedriegen.

Over de oorzaken tast men nog in het duister. Treffers kan alleen maar speculeren. De meest voor de hand liggende verklaring ligt naar zijn idee in het veranderende belang van het gezin. Het aantal echtscheidingen is onmiskenbaar gestegen: in 1993 liepen 3 van 10 huwelijken uit op echtscheiding - “al wil ik niet zeggen dat het gezin alleenzaligmakend is”. Ook wijst hij er, net als Verloove, op dat er meer kwetsbare kinderen in leven blijven.

Maar verreweg de belangrijkste oorzaak ligt, vindt Treffers, in wat hij noemt “de afname van beschermende factoren.” Langzaam trekt de maatschappij zich terug. Er komt minder speciaal onderwijs. Jeugdhonken zijn wegbezuinigd.Hobbies als muziek maken en lidmaatschap van sportclubs, waaraan kinderen zekerheid en trots ontlenen, zijn te duur of wegen eenvoudigweg niet meer op tegen tv of computerspel. En in de grote steden laten ouders hun kind soms niet meer buiten spelen omdat het te gevaarlijk is op straat. Treffers: “Ik begrijp best dat de overheid geld tekort komt. Maar vooral kinderen uit minder bedeelde milieus worden hier de dupe van. En als we de verschillen in gezondheid tussen de kinderen onderling niet nog verder willen laten toenemen moet je hier wat aan doen.”

Het neemt niet weg dat door psychologisering van de maatschappij ouders sneller geneigd zijn met hun kind naar de psychiater te stappen. Ze zien een documentaire over depressieve kinderen op tv en denken prompt dat hun kind er ook aan lijdt. Treffers zag dat al in de jaren zeventig, toen hij nog praktijk hield in Amsterdam: “Het waren golven, het had wel iets charmants. Eerst kwamen ze hun kinderen laten zien want ze hadden vast MBD, (Minimal Brain Disfunction: tegenwoordig hyperactiviteit. red), daarna werd 't lange tijd dyslexie. Dan had weer een of andere auteur toegeslagen.”

Buggy

Om tien voor half een mag de zevenjarige Turkse August als laatste meekomen met dokter Blaauw. Maar hij blijft stokstijf zitten totdat zijn moeder expres de buggy met een jonger broertje erin over zijn tenen rijdt. “August luistert zo slecht”, klaagt ze in de spreekkamer. En dat is niet alles: haar zoon heeft altijd wel wat. In maart had hij geelzucht, in april middenoorontsteking, twee weken geleden heeft de kinderarts nog foto's gemaakt van zijn nieren, en: hij heeft vaak buikpijn en last van zijn knie. “Hoe gaat het verder met hem”, vraagt de schoolarts, “vindt hij het leuk op school?” Alleen als hij genoeg geslapen heeft, zucht zijn moeder: “Maar ja, als ik zeg: je moet om acht uur naar bed, zegt hij: 't is nog licht. Hij blijft in de kamer spelen totdat het donker is. Zo druk, altijd zo druk.”

“Ik ga even in je oren kijken”, zegt de schoolarts. Augusts oren zijn kraakhelder. “Nu moet je op het puntje van je tenen lopen, die lijn langs.” August staart naar de boekenkast, z'n moeder geeft hem 'n zet. “Vlekkeloos”,juicht de schoolarts “maar een beetje koppig ben je wel”. Tot de moeder: “Is-ie thuis ook zo bokkig?”. “Ja. Bij het opstaan en naar bed gaan. En als hij geen tv mag kijken. “Hij moet wel naar u luisteren, hoor. En u moet het ook zeggen als hij een keer iets goed heeft gedaan. Is er verder nog iets?”

“Dokter?” “Ja”“Denkt u ook dat kinderen steeds zieker worden? Ik was zes toen ik in Nederland kwam, ik zat op dezelfde school als hij, ik woonde in dezelfde straat. Wij hadden nooit iets.”

“U moet zich niet teveel zorgen maken, dan komt het vast goed met August.”