'Het is bewezen dat het Franse volk Indurain nog niet moe is'

Hij begon als beperkt renner, reed twee keer de Ronde van Frankrijk ('68 en '70) en was lange tijd wielerjournalist. De vijftigjarige nordiste JEAN-MARIE LEBLANC is thans directeur van de Tour. Afgelopen week had de gesjeesde student economie het moeilijk na het dodelijke ongeluk van Casartelli. “De renners zijn zelf verantwoordelijk voor de gevaren”, meent hij. Maar hij wil er alles aan doen om de ongevallen te beperken.

In het Vip-dorp van de Tour in Bourg d'Oisans zit Jean-Marie Leblanc tegenover ons. Een blauw shirt, een zonnebril op, licht transpirerend. Het is donderdag 13 juli, 's ochtends tien uur en nu al snikheet. “La sécurité dans le Tour, messieurs, est importante, très importante”, luiden zijn eerste woorden, die hij kracht bijzet met enkele armgebaren. “Luister, die veiligheid is nóóit optimaal. Dat heeft u gisteren nog kunnen zien in de beklimming van Alpe d'Huez. De toeschouwers stonden dicht, héél dicht bij de coureurs. Dat de bescherming van de deelnemers niet perfect is, heeft u ook kunnnen zien in de eerste vlakke etappes, bij de rotonden. Daar was het ook niet absoluut safe. De Tourdirectie wil het altijd een beetje beter regelen, maar je kunt het nooit foutloos doen.” Dinsdag 18 juli, de etappe Saint Girons-Cauterets.

Via de Tourradio verneemt Leblanc in zijn luxueuze Fiat dat er zich een ernstig ongeluk heeft voorgedaan. Fabio Casartelli is gevallen in de afdaling van de Col d'Aspet en overlijdt enige uren later aan zijn verwondingen. 's Avonds legt Leblanc een verklaring af in de perszaal van de Tour, nadat hij bij de lijkschouwing in Tarbes is geweest. “Terrible, terrible.” Hij spreekt zijn medeleven uit met de nabestaanden. Leblanc is zichtbaar ontroerd, maar houdt zijn emoties goed onder controle. Hij zucht. “De renners zijn zelf verantwoordelijk voor dit soort gevaren”, merkt hij vervolgens op. “En zij beslissen of zij een valhelm dragen.” De Tourdirecteur is zich van geen schuld bewust over de uitbundige taferelen op het erepodium, rondom ritwinnaar Richard Virenque. “Ik heb Bernard Hinault de opdracht gegeven alles zo sober mogelijk te houden, maar helaas is dat niet gelukt.”

Leblanc heeft geen moment overwogen de Ronde stop te zetten. “Nee, de Tour is een circus dat moet doordraaien. The show must go on.” Op woensdagmiddag loopt Leblanc driftig heen en weer bij de finish in Pau. Voelt hij zich beledigd, omdat het peloton ter nagedachtenis aan Casartelli een langzaam-aan-actie heeft gehouden? Hij haalt de schouders op. Hij mompelt eerst iets in de trant van: “De trage koers had te maken met het warme weer en de zware Tour.” Na enig aandringen geeft hij toe dat een aantal renners bij de directeurswagen heeft gereden en hem had verteld waarom ze zo langzaam fietsten. Dat ze dat óók deden uit protest tegen de “schandelijke show”, dinsdagavond op het erepodium. “Zoiets moet je als Tourdirecteur accepteren.”

Terug naar Bourg d'Oisans, donderdag 13 juli. “Alpe d'Huez? De veiligheid op Alpe d'Huez?” Leblanc begint te lachen. “Je kunt op die col niet veel verbeteren. Zestien kilometer dranghekken plaatsen, aan twee kanten? Dat is 32 kilometer. Dat kan niet, messieurs. We hebben hekken neergezet op de drie moeilijkste stukken in de klim. Op ongeveer drieduizend meter van de top. Daar vormde zich, ik geloof in 1989, een opeenhoping van mensen. Parra viel daar aan en reed zich vast in de toeschouwers. Er was te veel publiek, zodat die Colombiaan er niet door kon komen. Heel jammer, maar men kan al die belangstellenden niet in de berm wegdrukken. Het volk hoort bij het succes van de col Alpe d'Huez. Er heerst een fenominale ambiance, die staat of valt bij de nabijheid van het publiek bij de atleten. Ik weet het, het is daar spannend, gevoelig, gevaarlijk. Maar er zijn bij mijn weten op Alpe d'Huez geen ernstige ongelukken gebeurd. U Nederlanders kunt gerust zijn: Alpe d'Huez blijft in de Tour, het is zelfs een van de grote monumenten van onze Ronde.”

Leblanc realiseert zich dat de gevaren elders veel groter zijn. In de massaspurten, bijvoorbeeld, met hun valpartijen. Critici hebben het idee geopperd het hele peloton de tijd toe te kennen van vijf kilometer vóór de meet, zodat het aantal deelnemers aan de sprint kleiner wordt. De gezette Leblanc veert op. “Non, non, non, non, non, dat is onvoorstelbaar, dat zal nooit gebeuren. Luister, een wielerwedstrijd eindigt op de eindstreep, zo hoort dat. Het kan niet anders, het mag niet anders. Dat zich in de sprints ongelukken voordoen, is waar. Dat komt doordat de sprinters 60, 65 kilometer per uur rijden. Tien jaar geleden haalden ze maar 50 kilometer. Het gaat dus veel vlugger, ook door het modernere materiaal. Bovendien staan de huidige coureurs meer op scherp en begeren ze de overwinningen méér. Het gaat er buitengewoon fel aan toe tegen het einde van een etappe. De renners nemen meer risico's. En ik zei het al: De gevaren zijn toegenomen door meer hindernissen op de wegen. De rotonden bijvoorbeeld. Die vormen een groot probleem.”

Leblanc wil een commissie instellen die gaat nadenken over de rotonden. Oud-renners als Laurent Bézault en Charly Mottet zullen daarvan deel uitmaken. “Ze gaan de renners ondervragen: 'Wat wil je op een rotonde? Hoe wil je passeren, links, rechts, of aan beide kanten?' Daarna beslissen we.” We herinneren Leblanc aan een lelijke valpartij met onder anderen Baldato en Jalabert, bij een rotonde in Le Havre, op drie kilometer voor de finish. Daar ging geen gele vlag omhoog om de coureurs te waarschuwen. Leblanc schudt het kalende hoofd, windt zich een beetje op. “Luister, die tuimeling had niks te maken met de beveiliging, het was de fout van een Lotto-renner. Je moet zo'n ongeluk niet dramatiseren. Het was als een afdaler op de skibaan die te hard gaat en een poort mist. Ik maak daar geen probleem van. Nee, er stond niemand met een vlag, dat was niet nodig. Het parcours was goed afgemaakt. Mensen in de circel? Non, non, non, non, non. Echt, u vergist zich.”

De valpartijen kunnen ook een gevolg zijn van de vermoeidheid der coureurs. Voorzitter Hein Verbruggen van de internationale wielerunie UCI heeft het idee geopperd de Tour terug te brengen tot achttien dagen. Leblanc gaat op de punt van zijn stoel zitten. “Nooit. Ik ben dat zeer oneens met Verbruggen. Een jaar of acht geleden kortte hij de drie grote ronden in. Om strategische, politieke en diplomatieke redenen. Dat was genoeg. De belangrijkste ronde, de Tour, duurt 23 dagen, Italië een etappe korter en Spanje 21 ritten. Luister, 23 dagen is voor ons perfect. Maar achttien? Kom nou! De Tour is een uithoudingsproef. Maak je er achttien ritten van, dan heb je nauwelijks meer dagen dan de Ronde van Zwitserland! Een Tourrenner moet weerstand kunnen bieden aan de zon, zijn maag en hij dient over moed te beschikken. Maak je de Tour korter, dan neem je de reden van het bestaan van de Ronde weg. Niet alleen de beste atleet wint, ook hij die goed om kan gaan met de meeste weerstand.”

Vooralsnog is dat Miguel Indurain. Met stip. De Spanjaard heerst als Jacques Anquetil en Eddy Merckx in het verleden. Oud-Tourbaas Jacques Goddet vroeg Anquetil ooit niet te starten, omdat hij de spanning weghaalde. Goddets opvolger Félix Lévitan deed later hetzelfde verzoek aan Merckx. Leblanc voelt niets voor zo'n initiatief. Hij lacht en pakt een van zijn ondervragers bij de arm. “Men moet de sport respecteren. Als er in een competitie een heel sterke atleet is, dan moet je je petje voor hem afnemen.” Hij doet alsof hij een hoed afzet, vijf keer achter elkaar. “Chapeau, chapeau, chapeau, chapeau, chapeau. Een, twee, drie, vier en misschien vijf keer wint Indurain. Ik vind het bewonderenswaardig, wat Indurain doet. Hij maakte geen fout, had geen off-day. Won de tijdritten, ging met de toppers mee in de bergen. Vorig jaar en nog meer dit jaar: het succes van de Tour zijn de toeschouwers, de tv-kijkers. Bewezen is dat het Franse volk Indurain nog niet moe is. Of ik de Tour moet veranderen, om hem niet te laten winnen? Zeker weten van niet. Heeft u het boek van Goddet gelezen? Daarin schrijft hij dat hij een keer een dusdanig parcours had uitgestippeld, dat Anquetil geen eerste zou worden. Toch stond hij in Parijs op de hoogste trede! Ha ha ha.” Leblanc schatert. “Luister, weet je wat Goddet zei? Dat doen we dus nóóit meer. Je maakt een parcours niet vóór of tegen iemand. Luister, in 1977 zeiden u journalisten tegen de Tourdirectie: 'Je moet eens een keer in de Pyreneeën beginnen. Wel, dat gebeurde. Thurau en negen anderen namen vijf minuten, Thurau kwam in het geel en er gebeurde niks, tien dagen lang was het saai.”

Leblanc wil de Tour verlevendigen, hij wil de 'berggeiten' tegemoet komen. “Ik geef toe dat die klimmers tegenwoordig een beetje zijn benadeeld. De laatste tien jaar zijn de fietsen door allerlei technieken verbeterd, waarvan de rouleurs konden profiteren. Indurain pakt daardoor in de tijdrit zes in plaats van drie minuten op Pantani. De klimmers hebben niets aan het moderne materiaal gehad. Daar overweeg ik iets aan te doen. Ik zou méér cols in het parcours kunnen opnemen, maar dat kan niet meer, er zijn er al te veel. Ik loop met het idee rond bonificaties te geven voor de eerst aankomenden op de bergen 'buiten categorie' en die van de eerste categorie, net als vóór de oorlog.”

“Neem nou Zülle”, gaat hij door, “in de rit naar La Plagne. Op de drie laatste grote bergen was hij super, die passeerde hij als eerste. Geef hem op elke col een bonificatie van twintig seconden, dan verdient hij in totaal een minuut. Je zou hem ook telkens met dertig seconden kunnen belonen, dan haalt hij anderhalve minuut binnen. Luister, dat is toch normaal, normaal, normaal. Pantani op Alpe d'Huez, idem dito. Je waardeert daarmee de prestatie van een klimmer op. Dat idee heeft psychologisch een gunstige uitwerking op hem. Die klimmers denken dan niet meer zoiets van: 'We winnen in de bergen, maar we worden op het vlakke toch weer verslagen'. Nee ze weten: we hebben een andere kans! Ik lanceerde dit idee in l'Equipe, en nu in uw krant. Ik wacht op de reacties. Als iedereen roept dat het een goede gedachte is, dan wordt ze uitgevoerd.”

Ook de sponsors hebben daarbij vermoedelijk invloed, want Leblanc koestert hen. “De geldschieters zijn momenteel minder talrijk, maar ze zijn groot. Sinds 1988 zijn er vier superbedrijven aan de Tour verbonden: Crédit Lyonnais, Coca-Cola - dat zijn contract onlangs met tien jaar verlengde - Fiat en Champion. Er is vertrouwen bij die vier, ze zijn tevreden. Er is geen witte jongerentrui meer, geen trui voor combinatieklassement, geen rode trui voor de tussensprints, geen petjes meer voor de beste ploeg. Er zijn dus kleinere sponsors verdwenen en er is meer aandacht voor de grote.” Is het niet een beetje gek: Indurain rijdt voor de bank Banesto, maar hij staat op het podium met de naam van concurrent Crédit Lyonnais op zijn gele trui?

“Welnee! Thévenet stond op het podium in een shirt van Peugeot, samen met Shell. De groene trui werd gesponsord door BP. Die dingen hebben altijd bestaan. En pas op: toen Banesto in de Tour kwam, was Crédit Lyonnais er al lang. Dat Spaanse bedrijf was daarvan op de hoogte. Daar mag niemand over zeuren.” Hij grijnst en leunt achterover. En hij geeft het gesprek een andere wending. “Verheugt u zich al op Den Bosch?”, vraagt hij. “Daar start de Tour volgend jaar. Als het net zo'n succes wordt als de doorkomst in Valkenburg, in 1992, nou, dan ben ik meer dan dik tevreden. Luister, het vele publiek in Limburg gaf ons vertrouwen in Nederland, dus ook in Den Bosch. Die stad verdient het vertrek, ze is vijf jaar bezig geweest de Tour binnen te halen. Den Bosch lijkt op Indurain: die deed ook vijf keer mee aan de Tour voor hij zijn zin kreeg en de begeerde eindzege pakte. Bois-le-Duc, c'est une bonne chose. Het wordt daar een volksfeest.”