Een renner vertelt

Het IJzeren Uurwerk. Het levensverhaal van Wim van Est, opgetekend door John Linse, 156 blz., geïll., de Arbeiderspers 1995, ƒ 25,-

Een bezoek aan Wim van Est in Sint Willebrord, dat vergeet je nooit. Zoals in eenvoudige Brabantse families gebruikelijk is, ontvangt hij je aan de keukentafel in zijn bungalow. De koffie pruttelt voor zijn gast, voor zichzelf zet hij thee. Een pot vol. Je hoeft hem nauwelijks vragen te stellen, Van Est zit snel op zijn praatstoel, een pakje sigaretten binnen handbereik. Alsof alles gisteren is gebeurd, zo goed lijkt hij zich de dingen te heugen. John Linse verbaast zich daar ook over. “Hoe herinnert iemand zich dat Wout Wagtmans veertig jaar geleden drie gebraden haantjes van een pond per stuk in de keuken van z'n vrouw opat?”, vraagt Linse zich af in het voorwoord van Het IJzeren Uurwerk.

De gedrongen Van Est heeft nog steeds een bruine kop, zijn donkere ogen vlammen nog geregeld. Hij werd geboren in Fijnaart, maar hij zou een Spanjaard kunnen zijn. De temperamentvolle Brabander voelde zich blijkbaar ook aangetrokken tot Spanjaarden. In Het IJzeren Uurwerk, een smeuïge monoloog, vertelt hij dat zijn broer Adriaan verliefd was geworden. “Zomaar, ineens, op een meisje van 't Heike (Sint Willebrord). Ze heette Trien, Trineke (..) Een mooie meid, blond. Maar er was een nog veel mooiere meid, haar zusje Mieke, een zwarte. 'We gaan zondag dansen, hoor', zei Trien. 'Heb je zin om mee te gaan?' Ook dat wilde ik wel. (...) Ik ben nooit meer weggegaan uit 't Heike. (...) 't Heike was vroeger een Spaanse nederzetting in de hei. Dat merk je nog aan de namen, Valentijn bijvoorbeeld. De mensen maakten een gat in de grond, bouwden een kotje en gingen er wonen. Werk was er niet. (...) Het was een straat, meer niet. Grote Belgische keien. Een smal weggetje met aan weerskanten tien, twaalf meter los zand: de Dorpsstraat. Maar wel negen, tien cafés. Drinken, dat konden ze goed.”

Ze waren arm, ze hadden honger, ze hadden geld nodig op 't Heike. “Ja, ze waren ruig. Ze waren ook gelovig. Drie priesters liepen op 't Heike rond: een pastoor en twee kapelaans. Nu is er nog maar één, kapelaan De Bok, een gewone boerenjongen, die niet eens zo goed kon leren. Maar hij hoort bij 't Heike, zo'n peer. Ze wilden hem eens verhuizen naar een andere parochie. Dat ging niet door hè. Het dorp stond pal: als kapelaan De Bok verdwijnt, komen wij nooit meer in de kerk.”

Zakkenvuller

Van Est voelde zich er direkt thuis. “Als je ze niet kende, ging je af op de verhalen over 't Heike. Dat waren slechte mensen. Cafélopers, vechtersbazen, deugnieten. Dat zat er ook wel een beetje in. (...) Iedereen kende het verhaal over het Klaveren Vrouwke, de beroemdste smokkelaar van 't Heike. Die hebben ze aan de grens doodgeschoten.” Van Est ging ook smokkelen, in de oorlog, toen hij was ondergedoken. Tabak, zeep, tapijten. Hij verdiende er veel geld mee. En hij leerde er hard door fietsen. “Ik had een Belgische fiets met dikke banden. Dat leek niet zo slim, maar dat was het wel. Ik had sterke poten. Ik fietste veel en vaak met kilo's bepakking. Je reed door de bossen, over zandpaden. De commiezen hadden gewone fietsen en smalle bandjes. Dat snijdt door dat rulle zand als je tempo moet maken. Ze hebben me nooit te pakken gekregen.” Toch verbleef Van Est wegens smokkelen een half jaar in de Bredase Koepel. Toen was-ie al wielrenner. Dat koersen begon als een geintje, toen hij met zijn Mieke naar een wedstrijd in 't Heike keek. “Kunnen die jongens van 't Heike niet harder rijden? Ze kunnen toch niks. (...) Ze waren lid van WWV, de wielerclub van Sint Willebrord. (...) Ze stelden een weddenschap voor: honderd piek als ik ze uit het wiel reed.” Van Est won.

Hij vroeg een licentie aan. Hij moest niks hebben van de bestuurders van de wielerunie en van de juryleden. Die waren in zijn ogen corrupt. “Ze pakten me zelfs op de Cauberg drie keer een Nederlands kampioenschap af. 1948: het NK voor amateurs. (...) Onweer, storm, regen, hagel en sneeuw. Ik zag er niet uit. Onder het slijk, onder de gele klei. (...) Zeseneenhalve minuut voorsprong had ik. Ik zat al in de laatste ronde, reed langs de achterkant van het parcours en zag ze in de verte een coureur aanduwen. Ik dacht, zeker een jongen die de koers nog wil uitrijden. Het was Wil Plum, een mijnwerker. Die had ik de hele dag nog niet gezien. Hij reed fris naar de finish toe en wat dacht je? Ze kennen hem de titel toe. Plum!” (...) Natuurlijk ben ik verhaal gaan halen. Maar geen kans hè. De jury bestond uit Limburgers en in Limburg maken Limburgers de dienst uit.”

List en bedrog, ze horen bij het wielrennen. In 1949, bij het NK voor profs, werd van Est naar zijn zeggen weer geflikt door de bond, toen hij met Gerrit Voorting en Jefke Jansen sprintte om de titel. Hij zou van zijn lijn zijn afgeweken. Weer een jaar later werd Hans Dekkers tot kampioen uitgeroepen, terwijl Van Est naar zijn zeggen op de streep een half wiel op die concurrent vóór lag. “Piet Hak van het dagblad De Stem had foto's laten vergroten. Die maakten alles duidelijk.” Van Est werd er, zo meldt hij in Het IJzeren Uurwerk meer dan eens financieel 'ingeluisd'. Hij noemt namen van renners (Peter Post, Ferdi Kübler) en ploegleiders, onder wie de bekende Kees Pellenaars, die hij als 'een zakkenvuller' omschrijft.

Pontiac

Pellenaars was ook zijn ploegleider in 1951, toen Van Est debuteerde in de Tour de France. De populaire Brabander slaagde er zelfs in de gele trui te bemachtigen. Onvergetelijk was zijn afdaling van de Aubisque, toen hij probeerde de superdaler Magni bij te houden.

“Ik knalde dus met Magni mee, op zo'n tien meter afstand. Het waren steile gladde bochten. Grind- en keislag. (...) Ineens, voor een korte bocht, moest ik snel uitwijken: stenen. Ik miste de eerste, maar raakte de volgende: platte band. Ik wilde remmen, ik remde ook wel, maar je ging slingeren, hè, ik kon het stuur niet meer recht houden. Ik moest naar rechts, maar ik ging rechtdoor. (...) Ik zag de dood voor ogen. Ik zag m'n vrouw, m'n kinderen, vader en moeder, ik zag ons huis, ver weg op 't Heike. (...) Ik viel eerst zo'n twintig meter diep. Wat een geluk: op een plekje van drie vierkante meter gras, klei en wat bladeren. Ik dook gelijk in elkaar, met m'n kop tegen m'n knieën aan. (...) Ik rolde en spoelde met het gletsjerwater mee, totdat ik ineens bleef liggen. Had ik iets verder doorgerold, dan was ik in een ravijn van zes- zevenhonderd meter getuimeld. ”Nu bleef de val beperkt tot zeventig meter. De letsel viel mee. Via een Frans ziekenhuis ging hij snel terug naar 't Heike. “Je stopt er maar mee, je gaat maar werken”, zei zijn geschrokken vrouw Mieke thuis tegen hem. Horlogefabrikant Pontiac greep de val aan voor een beroemde reclametekst: Zeventig meter viel hij diep, zijn hart stond stil maar zijn Pontiac liep. “Pel heeft dat contact met Pontiac gelegd. In ruil voor reclame kregen we een trainingspak, een horloge en gingen we een keer eten met z'n allen. Poen zagen we nooit.”

De verhalen van Van Est, vaak flink aangedikt, zijn om te smullen. Jammer dat Het IJzeren Uurwerk maar 156 bladzijden telt.