Een historicus als wijsgeer

E.H. KOSSMANN: Vergankelijkheid en continuïteit. Opstellen over geschiedenis, 270 blz., Bert Bakker 1995, ƒ 45.-

Op de achterflap van zijn jongste boek peinst een treurige Kossmann in droevige berusting voor zich uit. 'Vijf voor twaalf', denk je als je 't ziet. Maar op het polshorloge onder de linkerhand die 's mans vermoeide hoofd ondersteunt is het pas vijf voor half twaalf. Het portret stemt dan ook niet helemaal overeen met de werkelijkheid. De echte Kossmann is niet vermoeid, noch stemmen hij en zijn werk tot droevigheid, berusting of treurnis. Integendeel. Blijft de vraag wie of wat de echte Kossmann wel is.

Kossmann is natuurlijk historicus. Hij is sceptisch, oorspronkelijk, scherpzinnig, buitengemeen intelligent, helder, knap en al het verdere goede dat je van een geschiedkundige kunt zeggen. Zijn werk is een schoolvoorbeeld van nauwkeurig en exact denken. Maar dat wil niet zeggen dat het ook eenvoudig te volgen is. Ondanks de schijn van het tegendeel maakt Kossmann het zijn lezer namelijk niet makkelijk. Wie evenwel toch probeert zijn redeneringen bij te houden ziet zich beloond met momenten van grote intellectuele vreugde en genot. Kossmann is al met al een hilarisch auteur die in elk geval mij geregeld doet grinniken van de pret en die me soms zelfs in de lach laat schieten. Met een sierlijke wending hier, en een elegante draai daar, gaat het van links naar rechts, vervolgens er boven op en dan nog eens er onder door tot hij zijn aandachtige lezer in de hoek heeft waar hij hem hebben wil.

Een voorbeeld. In een zeer geleerd klein essay onder de zwaarwichtige titel 'Enkele laat-zeventiende-eeuwse Nederlandse geschriften over Raison d'État' zwiert Kossmann door de toenmalige gedachtensfeer rond de staatkundige organisatie. Tenslotte bereikt hij de waanzinnige slotsom - 't is niet helemaal zeker of het echt wel ook de zijne is - dat “de ruime constitutionele aristocratie” de democratie zo dicht als maar mogelijk nadert. Er is geen speld tussen te krijgen, maar intussen hebben zijn redeneringen doen duizelen.

Als eerste nam hij de Leidse rechtsgeleerde M.Z. Boxhoorn onder de loep. Hij is gauw met hem klaar. Boxhoorn, aldus Kossmann, was volop bereid tot veinzerij, bedrog en machiavellistische voorschriften mits die maar het staatsbelang dienden. Boxhoorn liet zich niet verontrusten door ethische problemen. De fatsoenlijke lezer uit het huidige gidsland Nederland die daar kennis van neemt is onmiddellijk geneigd de 17de-eeuwer Boxhoorn op grond daarvan te beschouwen als onbruikbaar vies oud vuil. Maar Kossmann heeft een verrassing in petto. Onomwonden, zonder commentaar of toelichting constateert hij dat Boxhoorn geen cynicus was. Hij was “een belezen en oppervlakkige geleerde”. Dit gaat de goede lezer een brug te ver. Bedoelt Kossmann soms dat een belezen, oppervlakkige geleerde geen cynicus kan zijn? Is het trouwens niet ongerijmd een man van de wetenschap in één en dezelfde zin zowel belezen als oppervlakkig te noemen? Maar net als je verheugd denkt Kossmann te hebben betrapt op slordig denken blijkt deze kat en muis met je gespeeld te hebben. Boxhoorn was “goed op de hoogte van de laatste mode”, heet het met dodelijke welwillendheid. Met deze vlijmende floretsteek is de zaak zo rond als een cirkel maar kan zijn. Lichtgewicht Boxhoorn is af door de zijdeur. En ik althans schiet in de lach als ik besef hoe elegant Kossmann mij bij de neus heeft rondgeleid.

Maar ik zou hem onrecht doen als ik het daarbij zou laten. Zijn essay is niet louter vermakelijk door vorm en stijl maar boeit toch vooral ook door zijn inhoud. Deze heeft betrekking op de vraag wat de best denkbare inrichting van het staatsbestel zou kunnen zijn. Onder het vel van de geschiedkundige Kossmann schemert zodoende de glans van de politieke wijsgeer van dezelfde naam. Filosoof en historicus brengen overigens steeds dezelfde boodschap: de geschiedenis is anders dan zij geweest is. De hooghartige, intolerante zonnekoning Lodewijk XIV en de standvastige kampioen van de vrijheid koning-stadhouder Willem III, doorgaans geportretteerd als onverzoenlijke tegenpolen, waren beide opportunistische en conservatieve representanten van het ancien régime.

Verder leert Kossmann onder meer dat de grote historicus Huizinga niet de wereldvreemde, conservatieve en weifelende schoonschrijver is geweest die maatschappijkritische Nederlandse historici van hem hebben gemaakt. Evenmin stond Huizinga in de calvinistische traditie. De gereformeerde historicus A.Th. van Deursen die iets dergelijks in zijn geruchtmakende Huizinga-lezing probeerde te laten geloven, zou het zich mogen aantrekken. De aristocraat Huizinga was geen voorganger. Hij was een voorloper - niet meer, maar vooral ook niet minder. En de 'wildeman' Pieter Geyl komt bij Kossmann te voorschijn als “een toonbeeld van gezond verstand”.

Maar misschien wel het leukste en leerzaamste opstel is dat over de geschiedenis van 'De Universiteit'. Tegenover het holle geblaat van politici en van hen afhankelijke universiteitsbobo's over baanbrekende vernieuwingen dank zij grensverleggend, excellent onderzoek stelt Kossmann eenvoudig dat universiteiten zich steeds vooral hebben toegelegd op het behoud van kennis en cultuur. Geen werk voor briljante hemelbestormers; de universiteit is er “door en ten behoeve van de middelmatigen”. Dat kan maar beter ook zo blijven, vindt Kossmann. Ach, als er eens naar hem geluisterd werd: de middelmaat, dat is de beste maat der dingen. Veertien opstellen bevat het boek, even zoveel juwelen.