Duitse kunstenaars die de verschrikkingen probeerden af te wenden

Tentoonstelling: Kunst als verzet. Duitse schilders in het interbellum. Museum Paleis Lange Voorhout, Lange Voorhout 74, Den Haag. T/m 1 okt. Di t/m zo 11-17u. Catalogi: Kunst als verzet. Prijs ƒ 79,-. Vom Expressionismus zum Widerstand. Kunst in Deutschland 1909-1936. Prijs ƒ 52,50.

Het Amerikaanse echtpaar Janet en Marvin verkocht in de jaren zeventig hun pasteltekening van Claude Monet. Janet, docente van het museum voor moderne kunst in Milwaukee, vond het erger dan Marvin, aannemer, makelaar en oprichter van de Milwaukee Bucks, het basketballteam van hun woonplaats. Maar ook zij was uiteindelijk bereid afstand te doen van de tekening, want 'als je het eenmaal op je had laten inwerken, bleef er eigenlijk niet veel van over. (-) Als je eenmaal begrepen had, hoe een oppervlak het licht reflecteert en hoe de kleuren onderling op elkaar inwerken, rest er niets om over na te denken.'

Het echtpaar ruilde de Monet voor een werk uit een periode waar zij wel over na kon blijven denken: Duitse kunst uit de jaren tien, twintig en dertig. 'Franse schilderijen zijn meestal heel mooi om naar te kijken', meent Marvin Fishman, maar 'in het algemeen missen zij de inhoudelijke zeggingskracht die bij de Duitse schilderkunst zo'n belangrijke rol speelt'.

Genuanceerd zijn de opvattingen van het echtpaar niet, maar ze zorgden wel voor een van de belangrijkste verzamelingen Duitse kunst uit het interbellum. De Fishmans zijn genereus met hun bezit; ze lenen het uit voor talrijke tentoonstellingen, onlangs bijvoorbeeld nog voor het grote overzicht van George Grosz in Berlijn. En een deel van hun verzameling toert nu al voor de tweede maal door Europa. Deze zomer is de collectie in Paleis Het Lange Voorhout in Den Haag te zien.

Een eerste rondgang door de zalen levert een oogst aan gruwelijke details op. Kijk bijvoorbeeld naar de door pokkenprikken veroorzaakte littekens op de bovenarm van een reusachtige vrouw, door Georg Kinzer in 1932 geschilderd; naar het in zijn linkerbroekspijp gevangen geslacht van Carl Birkle op een door diens zoon Albert vervaardigd portret uit 1928, naar het hakenkruisvlaggetje dat een kinderwagen versiert op een aquarel van D.W. Koeppen uit 1943.

Een bezoek aan de expositie lijkt op een tocht door een stad vol desolate straten en door rellen geteisterde pleinen, blok na blok gevuld met kroegen en bordelen, huurkamertjes en gekkenhuizen; een stad waarin de gezichten van de armen voornamelijk vertwijfeling en berusting uitdrukken en die van de rijken wellust en verveling, in wat voor stijl ze ook geschilderd zijn: venijnig precies, verdoemend karikaturaal of pathetisch expressionistisch.

De twee stromingen waarop de Fishmans zich geconcentreerd hebben, zijn het expressionisme en de Neue Sachlichkeit. Abstracte kunst ontbreekt, evenals, op een paar uitzonderingen na, werk van docenten en leerlingen van het Bauhaus. George Grosz en Ludwig Meidner zijn de best vertegenwoordigde kunstenaars, Grosz voornamelijk met tekeningen en aquarellen uit zijn tegen de Duitse burgerij gerichte series, Meidner met een groot aantal zelfportretten en apocalyptische landschappen.

Maar de Fishmans verzamelen niet alleen grote namen. Op de expositie is ook een aantal op z'n minst merkwaardige werken te zien van onbekende kunstenaars, zoals de al genoemde D.W. Koeppen, van wie behalve deze ene aquarel en zijn (haar?) naam niets is overgeleverd. Opvallend zijn voorts drie monumentale portretten van Josef Scharl, vooral dat van een mishandeld meisje uit 1931. Ze is kaal en bijna naakt; haar lichaam is opgebouwd uit korte, horizontale verfstrepen. Ze is voornamelijk geel tegen een donkere achtergrond; alleen de wallen onder haar ogen en haar nek zijn fel groen: de mishandelde plek wordt omgetoverd in een overdaad aan kleur.

Het werk van veel van de door de Fishmans verzamelde kunstenaars is in de jaren dertig door de nazi's entartet verklaard, veel kunstenaars moesten emigreren, kwamen om in een kamp of aan het front. Maar daarop is voor deze expositie niet het accent gelegd. De tentoonstelling heeft als titel 'Kunst als verzet' gekregen. Volgens Franz Kaiser, conservator van het Haags Gemeentemuseum die de inleiding schreef bij de Nederlandse catalogus, 'toont de verzameling Fishman het falen van een generatie kunstenaars die de verschrikkingen die zij in haar werk aan de kaak stelde, niet door deze kunst heeft kunnen afwenden.' Het is een boude uitspraak; ik kan me tenminste niet voorstellen dat alle hier vertegenwoordigde kunstenaars geloofden dat hun kunst het nationaal-socialisme kon voorkomen. Toch is het goed dat Kaiser dit onderwerp ter sprake brengt; want er was in de republiek van Weimar wel degelijk een groot aantal kunstenaars die, zij het voor korte tijd, meenden dat kunst de maatschappij kon veranderen. Hun streven wordt op deze tentoonstelling eindelijk weer serieus genomen - Kaiser neemt in zijn inleiding in ieder geval de moeite om, met hulp van Walter Benjamin, Theodor Adorno en Reinhold Heller, uit te leggen waarom zij wel moesten falen. Het was niet hun eigen schuld, meent de conservator; het ligt aan de kunst zelf. Kaiser schrijft dat het in principe onmogelijk is om met kunst de wereld te veranderen. 'Ieder streven naar welk maatschappelijk effect dan ook (blijft) noodzakelijkerwijs een utopie'. Want kunst heeft in het Westen haar eigen positie veroverd; zij is autonoom, zij heeft geen maatschappelijke functie. Strikt genomen heeft Kaiser waarschijnlijk gelijk, maar het is wel een erg streng standpunt, dat elke betekenis behalve een puur kunsthistorische lijkt te verhinderen. Wat betekent de kunst uit de Weimar republiek bijvoorbeeld voor het echtpaar Fishman?

In de Nederlandse catalogus wordt over de verzamelaars niets verteld; Kaiser vindt dat ongepast. Maar wie deze uitzonderlijke collectie ziet, krijgt vanzelf belangstelling voor de verzamelaars. De Duitse catalogus die bij een eerdere tournee verscheen, is gelukkig minder preuts. Daarin is een uitgebreid interview met het echtpaar opgenomen. Uit dit gesprek blijkt dat de kunst uit de Weimar republiek het joodse echtpaar geholpen heeft de opkomst van Hitler en het antisemitisme te begrijpen. Toch vinden ook zij de artistieke kwaliteit van de werken het belangrijkst. Maar in het beste geval gaan die twee dingen samen. Het overtuigendst wordt dat aangetoond door de meest recente aanwinst van het echtpaar die op de expositie te zien is: 'Zelfportret in het kamp' uit 1940 van Felix Nussbaum, die vier jaar later werd vermoord in Auschwitz. Nussbaum heeft een kamp geschilderd dat in retrospectief alle concentratiekampen van deze eeuw lijkt te vertegenwoordigen. In dit kamp, voor dit kamp, staat de kunstenaar, in die driekwart pose die sinds Van Eyck gemeengoed is op westerse schilderijen. Hij is slachtoffer en aanklager, maar meer nog, intermediair tussen de kijker en de verschrikkingen van de twintigste eeuw.