De zaak-John: Dreyfus en Zola in één Duits leven

BONN, 22 JULI. Hij heet Otto John, is een 86-jarige Duitser zonder pensioen, woont in Oostenrijk en vecht al veertig jaar voor zijn rehabilitatie. Zijn biografie bevat alles wat auteurs als John le Carré, Len Deighton en Fredrick Forsyth de afgelopen decennia inspireerde. Voor de een is hij een slachtoffer van de Koude Oorlog, een 'barbertje' dat moest hangen, voor de ander een doortrapte landverrader wiens leven in het teken van een permanent dubbelspel stond.

John was als medewerker van inlichtingenspecialist admiraal Canaris betrokken bij de mislukte aanslag op Adolf Hitler die de groep-Stauffenberg op 20 juli 1944 pleegde. Hij zorgde tien jaar later, inmiddels chef van de Westduitse binnenlandse veiligheidsdienst (BfV), voor een sensatie door op 20 juli 1954, direct na de herdenking van de Stauffenberg-aanslag, op een nooit helemaal duidelijk geworden manier naar Oost-Berlijn, naar de DDR, te verdwijnen. Daar werd hij triomfantelijk verwelkomd als een slachtoffer van de klassevijand, van de kapitalistische Bondsrepubliek dus. Daar ook kritiseerde hij, voor microfoons en camera's, in een nogal kenmerkend DDR-jargon, de 'Westpolitik' en het 'revanchisme' van Konrad Adenauer, de toenmalige Westduitse bondskanselier. Hij eiste in plaats daarvan, conform de toen geldende lijn van Moskou en Oost-Berlijn, een neutraal en dan ook herenigd Duitsland.

Zeventien maanden later keerde John terug naar West-Duitsland, waar hij werd ingerekend en door het hoogste gerechtshof (BGH) uiteindelijk tot vier jaar gevangenis veroordeeld wegens landverraad. Navrante bijzonderheid: de rechters die hem veroordeelden waren ook al rechter in de nazi-tijd, wat hier en daar het vermoeden liet opkomen dat het was gegaan om een soort juridische wraakactie op iemand die bij de aanslag op Hitler betrokken was geweest. Dat vermoeden werd trouwens versterkt door het feit dat die rechters een tweemaal zo zware straf oplegden als was geëist. Voor het toen geldende sfeerbeeld was ook een opmerking van belang die Reinhard Gehlen, Hitlers én Adenauers chef van de contra-spionage, over de veelbesproken kwestie maakte: “Eens verrader, altijd verrader.”

Nadat hij tweederde van zijn straftijd had uitgezeten, verhuisde John naar Tirol, waar hij onder behoeftige omstandigheden aan eerherstel ging werken. Zijn verhaal was héél anders. Het kwam erop neer dat een bevriende Westberlijnse gynaecoloog, Wolfgang Wohlgemuth, hem op 20 juli 1954 had gedrogeerd en hem daarna tegen zijn zin naar Oost-Berlijn had ontvoerd. Eenmaal daar aangekomen had John besloten om het DDR-ontvangstcomité van dienst te zijn en met kritiek op de Bondsrepubliek juist de kans te houden zo snel mogelijk weer “terug” te kunnen vluchten. Zoals geschiedde.

Fantastisch verhaal, dat niet waar kán zijn, was de conclusie in het door de Koude Oorlog bepaalde klimaat van de jaren vijftig en zestig. In 1963, 1966 en 1971 mislukten zijn pogingen om zijn zaak opnieuw voor de rechter te krijgen dan ook. Zoals hij eerder, in 1958, geen succes had gehad met een proces tegen Wohlgemuth, die wegens gebrek aan bewijs werd vrijgesproken. Wohlgemuth had, volgens Johns versie, de ontvoering op touw gezet omdat hij hoopte dat hij daarvoor beloond zou worden met het directeurschap van het Oostberlijnse Charité-ziekenhuis. Die beloning kreeg Wohlgemuth overigens nooit, hij stierf in 1978 op een voor een medicus raadselachtige manier: aan een tablettenvergiftiging.

Pas in de jaren tachtig, annex aan de internationaal politieke dooi die toen begon in te treden, zouden de opvattingen over het geval-John enigszins veranderen. Er zaten intussen andere generaties in de Bondsdag, dat telde ook. President Richard von Weizsäcker zorgde er in 1986 voor dat John behalve een bedrag van duizend mark van een “Comité 20 juli 1944” voortaan ook maandelijks een zogeheten “Gnadenunterhaltsbeitrag” van 4.200 mark kreeg.

Maar dat was niet alles. Na de omwentelingen in de DDR en Oost-Europa bleek méér. Markus Wolff, vele jaren chef van de DDR-spionage, kwam een paar jaar later al verklaren dat John in 1954 vermoedelijk inderdaad was gekidnapt, zij het niet door Oostduitse veiligheidsdiensten maar vermoedelijk door toedoen van 'overijverige' agenten van de Moskouse KGB die hun superieuren hadden willen verrassen. Even later verklaarde ook de nu in Hamburg levende vroegere Sovjet-ambassadeur in Bonn, Valentin Falin, dat John destijds slachtoffer van een 'spontane' KGB-actie was geworden.

Nog belangrijker: er heeft zich intussen een vrouw bij de Duitse justitie gemeld die er getuige van zegt te zijn geweest dat John op de avond van 20 juli 1954 een verdovend middel via zijn koffie werd toegediend. Zij weet ook dat er die avond behalve John en Wohlgemuth nog een derde man in de auto zat die naar Oost-Berlijn reed. Namelijk een KGB-agent die zich Max Wonzig noemde en zich er later in kleine kring herhaaldelijk op beroemde Johns ontvoering georganiseerd te hebben. Zowel Wohlgemuth als deze Wonzig zijn in Moskouse archieven trouwens inmiddels als gewezen KGB-agenten aangetroffen.

Otto John ziet vijftig jaar na de Stauffenberg-aanslag en veertig jaar na zijn verdwijning naar Oost-Berlijn dus een grotere kans op eerherstel dan ooit. Hij heeft opnieuw om heropening van zijn proces gevraagd. Een rechtbank in het nu verenigde Berlijn beslist daarover binnenkort. Zoals het ernaar uitziet zal John op 20 juli 1996 als een gerehabiliteerde grijsaard, voor het eerst sinds 1954, weer met de nabestaanden van de groep-Stauffenberg aan de jaarlijkse herdenking van die aanslag kunnen deelnemen. Wat een leven, zo'n Duits leven. Straks wordt het toch een dubbelleven, waarin John zowel zijn eigen Dreyfus als zijn eigen Zola was.