De Drina kleurt weer rood; Vlucht uit 'veilig gebied'

Terwijl het bloedvergieten in Bosnië onverminderd doorgaat, laten Groot-Brittannië, Frankrijk, de Verenigde Staten en Rusland het bij bekvechten. Ondanks de ferme taal van sommige landen zal een uitbreiding van de strijd in Bosnië en Kroatië niet worden voorkomen. Een analyse over het grootscheeps falen van de internationale diplomatie. En een reportage in het voetspoor van de vluchtelingen uit Srebrenica.

De volle twintig kilometer van het vliegveld naar Tuzla kwettert het oude vrouwtje uit Srebrenica opgewonden tegen de gebruinde man op de voorbank. Ze lacht een tandeloze lach, streelt door zijn haar en klemt zich vast aan zijn schouder alsof ze bang is dat hij uit de rijdende auto zal vallen. Twee dagen eerder kwam hij bij Kalesija over de grens, gisteren vond hij zijn moeder in een tent naast de landingsbaan. Met twee plastic tassen zijn ze nu op weg naar Tuzla, waar ze bij familie kunnen intrekken.

De bebaarde moslimstrijder voor de ingang van de sporthal van Banovici heeft minder geluk. In zijn handen de foto van zijn vrouw, die hij nog niet heeft teruggevonden, en een bundeltje identiteitspapieren van mannen die tijdens de tocht van zes dagen door de Bosnische wildernis zijn overleden. Een jonge vrouw zit met lange, hysterische halen te huilen in een kring troostende vrouwen. Met haar duim wrijft ze werktuiglijk over de identiteitskaart van haar man: doodgeschoten bij een Servisch mitrailleursnest. UNPROFOR moet de kaarten van Bosnische frontlijnen, die bijna twee jaar vrijwel onveranderd bleven, binnenkort herzien. Twee rode cirkels in de buurt van de Servische grens kan men zeker uitvlakken: de moslimenclaves Srebrenica en Zepa. Vijftien maanden nadat Srebrenica door de Veiligheidsraad als eerste tot 'veilig gebied' werd uitgeroepen, passeerden de mannen uit Srebrenica de frontlinie, op zoek naar familieleden die naar Potocari waren gegaan.

Rond de stad Tuzla ontstaat in de loop van het weekeinde een anti-Nederlandse stemming. “Waarom hebben de Nederlanders hun uniformen bij de Cetniks ingeleverd? Waarom hebben ze onze mensen verraden?”, vraagt een agent bij een checkpoint op weg naar Dubrave na het zien van mijn paspoort. Het verhaal van Serviërs in Nederlands uniform die in de avondschemering bij Potocari mannen en meisjes meelokten, heeft zich razendsnel verspreid. Overal die vraag: waarom hebben ze hun uniformen afgegeven?

Ook minister Pronk staat een weekeinde lang bloot aan felle verwijten van zijn Bosnische gesprekspartners, wat zijn emotionele betoog in Nova wellicht kan verklaren. Een tolk in dienst van de VN verstopt na het verlaten van de poort zorgvuldig haar UNPROFOR-identiteitskaart (“Ik schaam me dat ik nog voor ze werk”) en stelt ons obstinaat aan iedereen voor als 'Novinari Hollanski' (Hollandse journalisten). Dat komt ons op eindeloze donderpreken te staan. De strekking: de Nederlanders hebben de moslims ontwapend en vervolgens laten afslachten. Met het 'verraad van Srebrenica' heeft Nederland zich medeplichtig gemaakt aan genocide. Dat het in 1993 Canadezen waren die de territoriale strijdmacht van Srebrenica ontwapende, is een subtiliteit die op niemand indruk maakt.

Bij de vluchtelingen zelf bestaat minder vijandigheid tegen Dutchbat. Hoogstens minachting. “Die Nederlanders hebben nauwelijks een schot gelost toen ze met hun pantserwagens onder Srebrenica stonden. Laat u niets wijsmaken. Ik was er zelf bij”, houdt een lange militair, die bij het vliegveld naar zijn naasten zoekt, staande.

Opmars

Het zal nog even duren voordat de geschiedenis van de val Srebrenica geschreven kan worden. Op dit moment zijn er slechts losse puzzelstukjes, de getuigenissen van hen die overleefden. Het wachten is op de verhalen van de manschappen van Dutchbat. Hebben de Nederlandse militairen een serieuze poging gedaan de enclave te verdedigen? Kreeg men de opdracht een 'stay-put' beleid te voeren bij de observatieposten, zoals kolonel C. Brantz van de sector Noord-Oost zegt? En op wiens gezag werden de posten dan verlaten toen de beschietingen te intens werden? Wanneer kreeg men door dat de Serviërs uit waren op de verovering van Srebrenica? Wat heeft de 'rapid reaction force' van overste Karremans gedaan om het stadje te verdedigen? Waarom hebben de luchtaanvallen zo weinig effect gehad op de Servische opmars? En ten slotte: wat is er gebeurd rond het Nederlandse hoofdkwartier bij Potocari en tijdens de aftocht van de tienduizenden vluchtelingen naar Kladanj?

Van alle kanten kwamen deze week de verhalen los over de excessen in en rond de oude accufabriek van Potocari, de plaats waar de moslimenclave werd geboren en onderging. Op 20 april 1992 verraste de militaire leider van de enclave, Naser Oric, hier met zeventien vrienden plunderende Cetniks van de Servische bandietenhoofdman Arkan. De Serviërs lieten dertien doden achter, de eerste maal dat ze op vastberaden weerstand stuitten in Oost-Bosnië. Een maand later trokken de Serviërs zich terug, waarna voor Oric een zegetocht begon. Na januari 1993 dreven de Serviërs zijn milities weer terug tot de grenzen van de voormalige enclave en dreigde de totale nederlaag. Toen greep de VN in.

Drie jaar en twee maanden later konden de Serviërs hun plunderingen in Potocari voortzetten. Tifa Dedic, een vluchtelinge uit Vlasenica, heeft als nieuwe woning een handbaldoel in de sporthal van Banovici. Zij sloot zich dinsdagavond aan bij de tienduizenden vluchtelingen die voor de Serviërs uit naar Potocari vluchtten. “Ik was doodsbang om verkracht te worden”, zegt ze. “Ik had twee broeken over elkaar heen gedaan en mijn gezicht vies gemaakt”. Het hielp kennelijk, Tifa zegt onderweg alleen te zijn geslagen door een Servische soldaat die op zoek was naar buit. Haar schoonmoeder, Ruvejda Hasanovic, zegt dat de Serviërs zich bij Potocari als 'vampiers' gedroegen. “Overdag speelden ze mooi weer, maar tegen de avond begonnen de verkachtingen en moordpartijen. De Nederlanders konden niks voor ons doen, die hadden niet eens geweren.”

De vluchtelingen spreken van verkrachtingen, van mannen die werden verminkt, doodgeknuppeld, opgehangen of doodgestoken. De wreedheden gingen voort toen ze in bussen naar de grensplaats Kladanj werden gereden. Vluchtelingen spreken van tientallen mede-passagiers die bij Servische checkpoints werden meegenomen en doodgeschoten, van een verkrachting naast een bus, van Serviërs die naar binnen kwamen om buit op te eisen. Sommige verhalen zijn verdacht, zei J. de Milliano, directeur van Artsen zonder Grenzen in Nederland die op bezoek was in Tuzla. Zoals het relaas van de zwangere vrouwen die in twee kringen werden opgesteld, waarna de buitenste kring vrouwen de keel werd doorgesneden. Of van kinderen die in een schuur zouden zijn gekruisigd. Maar De Milliano en andere hulpverleners oordelen dat de meeste verhalen te concreet, gedetailleerd en gevarieerd zijn om geheel onwaar te zijn.

De Zweedse kapitein Blank van Nordbat, die de vluchtelingen in de eerste dagen had opgevangen, zat in de schemering voor zijn hoofdkwartier somber te filosoferen over de gruwelverhalen. “Iemand heeft gezegd dat dit een oorlog is die wordt uitgevochten met tactieken uit de Eerste Wereldoorlog, met moderne wapens en met een middeleeuwse mentaliteit. Dat klopt wel ongeveer.”

Tanks

De andere helft van Srebrenica wist op eigen kracht Midden-Bosnië te bereiken. Dat is UNPROFOR kennelijk geheel ontgaan: de tien- tot vijftienduizend burgers en militairen die op dinsdagavond langs een zijtak van de rivier de Guber naar het westen trokken, terwijl de Serviërs de enclave vanuit het zuiden en noorden onder de voet liepen. “We missen 20.000 mensen”, had kolonel C. Brantz afgelopen zaterdag nog gezegd. “Waar zijn ze? In Bratunac, Tuzla, de rivier de Drina?” De militair hield het erop dat de Bosniërs zich in kleine groepjes in de bossen schuilhielden en pas in de loop van de komende weken de grens zouden komen overdruppelen. De werkelijkheid bleek anders.

Op weg naar het front, waar de 28-jarige Ekrem Delic zijn scherfvest heeft achtergelaten, tekent deze in zijn been gewonde Bosnische officier de terugtocht van de mannen van Srebrenica en de punten waar men slag heeft geleverd met de Serviërs. De militairen zeggen dat niet serieus is overwogen de Serviërs tegen te houden. Terwijl het smalle dal van de enclave Zepa gemakkelijk te verdedigen valt - in de eerste dagen van de oorlog wist men zich daar de Serviërs van het lijf te houden door stenen en boomstammen naar beneden te rollen - is de vallei van Srebrenica breed genoeg om tanks en pantserwagens te laten manoeuvreren. Met die ene roestige T-54 tank die men indertijd bij UNPROFOR had ingeleverd, was weinig tegen de Servische overmacht in te brengen.

Het kale landschap van scherpe bergkammen en diepe ravijnen ten westen van Srebrenica bood echter voldoende vluchtwegen. Daar lopen talloze smokkelroutes naar het moslimgebied in midden-Bosnië, waar de afgelopen twee jaar een druk verkeer was. Soms werden daarbij Serviërs omgekocht, meestal trotseerde men gewoon de 'snipers', mitrailleursnesten en mijnenvelden. De Serviërs slaagden erin de enclaves echt te isoleren. Zo vertelt de vluchtelinge Ruveljda Hasanovic dat ze de afgelopen twee jaar vaak veertien uur door de wildernis naar Zepa liep om daar te bedelen. In Zepa werd namelijk, ook door de royale medewerking van de Oekraiense VN-troepen, nog volop handel gedreven.

Al snel viel de kolonne van Delic in de eerste Servische hinderlaag. Delic: “We probeerden gevechten te vermijden om de duizenden burgers die we bij ons hadden te sparen. Maar dat lukte niet altijd.” Het zwaarste obstakel bleek de weg te zijn tussen Zvornik en Vlasenica, die de groep boven het plaatsje Nova Kasaba overstak. Op de weg stonden vijf pantserwagens de mannen op te wachten, maar de Servische commandant begreep al snel dat hij tegen een overmacht van drieduizend soldaten met duizend geweren stond. Delic: “Wij begonnen te schieten en zij schoten terug. Ik heb een jochie naar de Serviërs gestuurd voor een wapenstilstand. Wij waren met teveel, dat wisten ze.”

Toen driekwart van de kolonne de weg was overgestoken, kwamen uit de richting van Zvornik zes tanks aanrijden. Drie- tot vierduizend mensen zaten in de val aan de verkeerde kant van de weg. “Ze hebben zich in de bossen verspreid. De Serviërs zullen een klopjacht op hen hebben geopend”, zegt Mehmet, een andere soldaat die de tocht meemaakte. “Ik denk dat honderden van hen gedood en gewond zijn, gevangen en afgeslacht.” Onder de achterblijvers waren de vader en de broer van Ekrem Delic.

Wisselgeld

De tocht ging verder, langs het plaatsje Kamenica. Men reisde zoveel mogelijk bij nacht en hield zich overdag schuil. De soldaten hadden voor drie dagen eten, daarna voedde men zich met groene appels, bosvruchten, bladeren en wortels van struiken. Er waren scherpschutters, mitrailleursnesten en mijnenvelden, die de Serviërs hadden aangelegd op de verwachte route van de kolonne. Sommigen hielden het niet vol en bleven achter, zegt Delic. Een zwaar gewonde soldaat werd achtergelaten met een handgranaat, om zelfmoord te plegen.

Boven het dorp Bankovica, vlakbij het front, heeft de stoet voor het laatst slag geleverd, zegt Delic. Daar heeft hij noodgedwongen vier tanks en een pantserwagen aangevallen. Delic: “We konden er niet omheen, dus we hebben ze met groepjes van twee en drie man van alle kanten aangevallen. We zijn op de geschutstorens geklommen en hebben de bemanning gedood. Daarbij ben ik in mijn been geraakt. Een goede vriend van mij verloor zijn arm en heeft zichzelf opgeblazen.”

Twintig Servische soldaten en twee officieren hebben zich volgens Delic overgegeven; ze hebben ze meegevoerd naar de grens en ze daar als wisselgeld gebruikt om ongehinderd te passeren. Delic: “Dit is de meest angstaanjagende week in mijn leven geweest - en ik heb veel meegemaakt. Veertig mannen van mijn eenheid van honderd zijn gestorven. Ik ben tien kilo afgevallen, mijn haar is grijs geworden.”

Delic was een van de gelukkigen die zijn vrouw deze week bij het vliegveld weer in de armen kon sluiten. Miro, verantwoordelijk voor de opvang van vluchtelingen in Banovici, heeft de afgelopen weken genoeg gruwelen gehoord. “Srebrenica bestaat niet meer. Srebrenica is hier”, zegt hij. “U bent misschien geïnteresseerd, maar ik vind niet dat het zin heeft om terug te kijken. Dit is niet erger dan dan ik de afgelopen drie jaar heb gehoord. En niet erger dan ik de komende drie jaar zal horen.”

    • Coen van Zwol