De Drina kleurt weer rood; Het einde van de diplomatie

Terwijl het bloedvergieten in Bosnië onverminderd doorgaat, laten Groot-Brittannië, Frankrijk, de Verenigde Staten en Rusland het bij bekvechten. Ondanks de ferme taal van sommige landen zal een uitbreiding van de strijd in Bosnië en Kroatië niet worden voorkomen. Een analyse over het grootscheeps falen van de internationale diplomatie. En een reportage in het voetspoor van de vluchtelingen uit Srebrenica.

De oud-testamentische taferelen die in de zomer van 1992 het geweten van Europa kwelden zijn terug. De duizenden vluchtelingen uit Srebrenica die Tuzla binnenstroomden, krijgen binnenkort gezelschap van een nieuwe golf uit Zepa, het volgende 'veilige gebied' van de moslims dat door de Bosnische Serviërs wordt aangevallen. Na drie betrekkelijk kalm verlopen jaren kleurt het water van de Drina weer rood.

De Drina raast door spectaculaire bergkloven alvorens tot rust te komen in ruime, lome plassen rond schilderachtige dorpjes en stadjes waar vóór de oorlog boeren en handelaren elkaar verdrongen. In de ogen van de plaatselijke bevolking heeft de Drina mystieke kwaliteiten, die worden benadrukt door de bijzondere symbolische rol die deze rivier vervult in de Bosnische literatuur - de islamitische, de Servische zowel als de Joegoslavische.

Tegelijkertijd is dit bekoorlijke landschap, zoals zo vele in het voormalige Joegslavië, door zijn strategische betekenis een oord des verderfs. Zodra in 1992 de oorlog in Bosnië uitbrak, was het lot van de streek bezegeld.

In de eerste fase van verdrijvingen en slachtpartijen - meteen een van de bloedigste - werden de voornaamste stedelijke centra van Zvornik tot Visegrad, met een merendeels islamitische bevolking, door de Bosnische Serviërs vanuit de omringende dorpen aangevallen met artillerie en infanterie.

Uit de diverse enclaves waar de Bosnische regeringstroepen zich staande hielden, waaronder Zepa, Srebrenica en Gorazde, wisten de moslims zo nu en dan met een uitval de Serviërs tijdelijk terug te drijven, waarna ze zich op hun beurt aan moord en doodslag overgaven.

Het in de zomer van 1993 door de Verenigde Naties genomen besluit om veilige gebieden in te stellen, was een lapmiddel om de diplomatieke onmacht van de internationale gemeenschap na de mislukking van het Vance-Owen-vredesplan te maskeren.

Twee jaar lang hebben de veilige gebieden de situatie rond de drie enclaves gestabiliseerd, maar dat het kruitvaten waren, was maar al te duidelijk. In het voorjaar van 1994 leidde de strijd rond Gorazde bijna tot een grootschalige confrontatie tussen de NAVO en de Bosnische Serviërs, totdat generaal Ratko Mladic onder zware druk van Moskou en Belgrado ten slotte zijn troepen terugtrok.

“Toen de veilige gebieden werden ingesteld, vroeg Boutros-Ghali de lidstaten van de VN om nog eens 35.000 militairen om dit beleid te kunnen realiseren”, verklaarde een VN-woordvoerder in Zagreb. “Er kwam natuurlijk niets van. Het mag eigenlijk een wonder heten dat ze het nog zo lang hebben uitgehouden.” In feite entameerde de Veiligheidsraad op dat moment een beleid dat tot mislukken gedoemd was. Nu moet de torenhoge rekening voor die vergissing worden betaald.

S edert het Vance-Owen-plan waren de drie enclaves, telkens als er kaarten moesten worden getekend, weer een bron van onenigheid tussen de Bosnische regering en de Bosnische Serviërs. Officieus heeft Radovan Karadzic laten weten dat Pale bereid is om in ruil voor Gorazde, Zepa en Srebrenica heel Sarajevo op te geven. De Bosnische regering heeft tegenover Amerikaanse diplomaten wel eens laten doorschemeren dat ze met zo'n afruil misschien zou instemmen.

Uiteraard zou zo'n overeenkomst nooit tot stand kunnen komen los van een politieke oplossing voor het Bosnische conflict als geheel. Het besluit van de Bosnische Serviërs om Zepa en Srebrenica aan te vallen - het veel beter beschermde Gorazde, is een minder gemakkelijke prooi - is niet alleen vanwege de humanitaire gevolgen buitengewoon onheilspellend, maar ook omdat het bevestigt dat de diplomatie in Bosnië is uitgespeeld.

“Iedereen bereidt zich nu voor op oorlog - de Kroaten, de moslims en de Serviërs”, waarschuwde Braca Grubarcic, een onafhankelijke politieke commentator in Belgrado.

Nog altijd toert er een bont gezelschap internationale bemiddelaars door het voormalige Joegoslavië, en doet iedere politicus die de naam waardig is, een duitje in het zakje met suggesties voor hoe de puinhoop moet worden opgeruimd. Maar in juni is dit ongehoorde diplomatieke offensief ten slotte vastgelopen toen Robert Frasure (die in de contactgroep de Verenigde Staten vertegenwoordigt) en de Servische president Slobodan Milosevic het niet eens konden worden over een akkoord waarbij de VN de sancties tegen Servië en Montenegro zouden opschorten in ruil voor erkenning van de grenzen van Bosnië.

Aan Frasure en Milosevic heeft het niet gelegen. “We waren er heel dicht bij”, zei een diplomaat uit de naaste omgeving van Frasure's onderhandelingsteam, “maar die laatste kilometer is ons niet gelukt.” Helaas was geen van beide partijen bestand tegen de zware druk van de haviken in hun achterban.

Zij zijn er dus niet in geslaagd het kleine verschil te overbruggen tussen hun opvattingen over het mechanisme waarmee, als Belgrado zijn verplichtingen niet zou nakomen, de romp van Joegoslavië opnieuw sancties zouden kunnen worden opgelegd.

Een week nadat Frasure begin juni in Washington was teruggekeerd, deed de Bosnische regering een poging om de omsingeling van Sarajevo te doorbreken. Het begin van dat offensief hing rechtstreeks samen met het mislukken van het overleg tussen Washington en Belgrado. De Bosnische premier Haris Silajdzic heeft zelfs onder vier ogen gezegd dat hij het jammer vond dat het overleg tussen Frasure en Milosevic was mislukt.

Natuurlijk was de regering van Bosnië niet de enige die zich gedwongen zag te proberen het conflict met militaire middelen op te lossen. Zonder dat de buitenwereld er veel aandacht aan schonk, hebben het Kroatische leger, en Kroatische troepen in Bosnië, in versneld tempo versterkingen geconcentreerd rond het Servische bolwerk Knin in Kroatië.

De herhaalde verzekeringen van de Kroaten dat zij Knin niet zullen aanvallen, zijn door de Verenigde Naties in Zagreb met enige scepsis ontvangen, aangezien soortgelijke betuigingen waardeloos zijn gebleken toen de Kroaten begin mei het door de Serviërs bezette gebied in westelijk Slavonië heroverden. De kwestie West-Slavonië illustreert nog een ander probleem waar de internationale gemeenschap mee worstelt. Terwijl de Serviërs om hun voorspelbare beestachtige optreden rond de 'veilige gebieden' telkens weer van de media de wind van voren krijgen, zijn de Kroaten amper berispt om de vastberaden manier waarop zij in westelijk Slavonië, ook bekend als een 'beschermd gebied van de VN' - al net zo'n giller als 'veilig gebied' -, plechtige resoluties van de Veiligheidsraad hebben geschonden. Er zijn burgers gedood. Mannelijke Serviërs zijn opgesloten op verdenking van oorlogsmisdaden. In Srebrenica is dat allemaal ook gebeurd, maar de Kroaten krijgen er geen last mee en de Serviërs wel.

Zo raken de Serviërs alleen maar feller gebrand op de strijd, want - zo menen zij met recht - de wereld meet in dit conflict met twee maten. De hardnekkige steun van de Duitse regering aan de Kroaten, die in wreedheid, onbetrouwbaarheid en leugenachtigheid niet voor de Serviërs onderdoen, heeft op de Balkan ontzaglijk veel kwaad gedaan. Die steun heeft bovendien de binnenlandse positie van Franjo Tudjman versterkt, en hem aangemoedigd om de confrontatie met de Serviërs in Kroatië aan te gaan.

Achter de gruwelen van oostelijk Bosnië smeult namelijk een veel gevaarlijker conflict: de wederopleving van de oorlog tussen de Serviërs en de Kroaten in Kroatië. Kenmerkend voor de complexiteit van de situatie is dat de doodgriezelige toestand in het Bosnische 'veilige gebied' Bihac een centrale rol is gaan spelen in het conflict tussen de Kroaten en de Serviërs in Kroatië. De enclave Bihac in het noordwesten van Bosnië, die grenst aan een door de Serviërs bezet deel van Kroatië, is opgesplitst tussen troepen die loyaal zijn aan de Bosnische regering, en aanhangers van de opstandige islamitische leider Fikret Abdic.

Vorige week liet Mate Granic, de Kroatische minister van buitenlandse zaken, weten dat als Bihac in handen zou vallen van Abdic en zijn Servische bondgenoten, in de ogen van Zagreb essentiële Kroatische belangen zouden worden geschaad. Dat betekent dat de val van Bihac vrijwel zeker een Kroatische aanval op een tweede door de Serviërs bezet deel van Kroatië zou uitlokken. Geregelde troepen uit zowel Kroatië als Servië zijn al in Bihac geïnfiltreerd en zullen misschien weldra aan het front tegenover elkaar komen te staan.

O ok in Belgrado is de stemming omgeslagen. Vorige maand heeft de overheid daar eraan meegewerkt dat mannelijke burgers werden geselecteerd voor dienst in de Servische legers in Kroatië en Bosnië, wat toch in vele gevallen neerkomt op een schending van hun vluchtelingenstatus. “Al is dat het geval”, zei UNHCR-woordvoerder Ron Redmond in Genève, “dan kunnen we er niets tegen doen.” Het enige wat deze Serviërs krijgen, is de raad om onder te duiken. De meerderheid van deze 4000 rekruten tegen wil en dank is naar Knin gestuurd.

Het voorlopige dieptepunt - dat ongetwijfeld nog door vele andere zal worden overtroffen - is de aanval van de Bosnische Serviërs op de enclaves. Het is hoogst onwaarschijnlijk dat generaal Mladic het besluit daartoe op eigen houtje heeft genomen. Het dal van de Drina is namelijk niet alleen van strategische waarde voor de moslims en de Bosnische Serviërs - het is de bufferzone van het Joegoslavische leger. “Deze verandering van tactiek van Mladic is zo ingrijpend dat hij er beslist toestemming voor heeft gevraagd bij de militaire leiders in Belgrado”, stelde een Europese diplomaat in de hoofdstad van Servië. De introductie van de snelle reactiemacht en de hand over hand toenemende militaire betrokkenheid van Duitsland en de Verenigde Staten bij de strijd in Bosnië worden door het Servische leger beschouwd als de inleiding tot een westerse aanslag op hun belangen.

Mocht het Westen ertoe besluiten in het Drina-dal de strijd aan te binden met de Bosnische Serviërs, dan moet het wel bedenken dat het ook met de reserves van het Joegoslavische leger te maken zal krijgen. Dit vormt de kern van het dilemma waarvoor de hopeloos verdeelde westerse bondgenoten zich gesteld zien aan de vooravond van de zoveelste rampzalige toestand in Bosnië-Herzegovina.

Op dit moment lijkt de kans klein dat uitbreiding van de strijd in Bosnië en Kroatië zal kunnen worden voorkomen. Carl Bildt, de Europese-Uniebemiddelaar in Bosnië, voert intensief overleg met president Milosevic, maar er zijn nog geen tekenen dat dit iets gaat opleveren. In plaats daarvan is de wereld wederom getuige van een rondje openbaar bekvechten tussen Groot-Brittannië, Frankrijk, de Verenigde Staten en Rusland, dat meer door binnenlandse belangen wordt beheerst dan door het jammerlijke lot van de burgerslachtoffers in voormalig Joegoslavië.

De militaire logica vereist dat de wereld zich nu voorbereidt op een ramp in Zuidoost-Europa. Dat is voor een belangrijk deel te wijten aan het tromgeroffel, de halsstarrigheid en de onbetrouwbaarheid van de Kroaten, de Serviërs en de moslims. Toch is deze puinhoop in de eerste plaats het resultaat van grootscheeps falen van de internationale diplomatie. Of het Westen op deze crisis reageert door de VN-troepen terug te trekken, dan wel door een 'harde opstelling tegenover de Serviërs' in te nemen, maakt niets meer uit. De prijs van dit falen zal binnenkort astronomische hoogten bereiken.