Avonturen ter zee (3)

Aan boord van een zeeschip op de grote vaart tref je - of trof; het is alweer een poosje geleden dat ik voor het laatst op volle zee ben geweest - altijd mensen die je aan wal niet tegenkomt. De zee kweekt een ander soort excentriciteit, vanzelfsprekend want het is een ander element, maar het heeft nog een nuance. Ik bedoel dat er een ander type mens tot zijn recht komt.

A.M. de Jong, de schrijver die het slachtoffer is geworden van de eerste Silbertannenmoord, heeft een boek geschreven, veel beter dan die over Merijntje Gijzen, waarin dit verschijnsel duidelijk wordt herkend - merkwaardig want, althans bij mijn weten, heeft De Jong nooit gevaren. Ik bedoel Bulletje en Boonestaak. Eigenlijk is het geen boek maar een stripverhaal waarvan de tekeningen zijn gemaakt door de Belg Georges van Raemdonck. Het is bedoeld voor kinderen. Het heeft geen dubbele strekking, zoals de avonturen van Kapitein Gulliver of Heer Bommel die je als kind kunt lezen en daarna als groot mens nog eens, met hetzelfde plezier hoewel met andere ogen. Bulletje en Boonestaak zijn eerder Hollandse neefjes van de Baron von Münchhausen. Op welke leeftijd je het relaas over hun ongelofelijke belevenissen ook leest, je blijft je op dezelfde manier verbazen. Ik noem het een boek. Die avonturen zouden eens moeten worden verfilmd: zuiver ouderwets drama te land en vooral ter zee.

De vader van Boonestaak is kapitein, die van Bulletje stuurman op hetzelfde schip, wat geen animositeit tussen beide vrienden veroorzaakt. Als verstekeling gaan ze aan boord en leren dan, na te zijn ontdekt, de bemanning kennen. Daar gaat het me hier om. Een van de markantste leden is de bootsman, Ouwe Hein. Hij vertelt hoe een schip waar hij eens op had gevaren, door Algerijnse zeerovers werd geënterd. Op het dek van de Hollander volgde een gevecht van man tegen man, waarbij Ouwe Hein en de Algerijnse kapitein met mes en zwaard op elkaar los hakten. Het toeval wilde dat ze in één simultaanhouw elkaars hoofd eraf sloegen. De koppen vlogen door de lucht en kwamen op de verkeerde romp terecht. Dit is door Van Raemdonck meesterlijk weergegeven. Zeerover en bootsman voelen zich diep ongelukkig met de transplantatie. Na veel wederwaardigheden, door De Jong en Van Raemdonck alweer magnifiek beschreven en in beeld gebracht, volgt dan de contratransplantatie, waarbij zagen en soldeerbouten te pas komen. Eind goed al goed, de vrouwen vallen hun herstelde mannen wenend in de armen.

Ieder schip van de grote vaart heeft zijn Ouwe Hein. Op het vrachtschip van mij heette hij Mooie Karel de loodgieter, een reus van een kerel zoals het in dit verband wordt genoemd, met een grote kromme neus en een snor. In de oorlog had hij konvooi gevaren naar Moermansk, was getorpedeerd en had precies een minuut in de IJszee gelegen. Een seconde langer en hij was dood geweest want het zeewater is daar ver onder nul. Door de torpedo die zijn schip had getroffen was ook een walvis geraakt en aan stukken gevlogen. Mooie Karel was door een golf terecht gekomen op een groot stuk nog warm walvisspek. Het verblijf daar had niet langer moeten duren. Door een Britse torpedojager is hij bijtijds uit zee gevist. Als aandenken en bewijs had hij een stukje gelooid walvisvel in zijn portemonnee, een deeltje van de huid waarin hij toen zijn nagels had gezet om zijn leven te redden.

Er zijn heel wat zeelieden die kunnen vertellen dat ze weleens een kraak hebben gezien, een reusachtige achtarmige inktvis die gemakkelijk een sloep kan omvatten en met man en muis naar de diepte trekken. Ontmoetingen met witte walvissen en monsterlijke haaien, Portugese oorlogsschepen zoals deze kwallen worden genoemd, maar dan van meer dan drie meter doorsnee en in een kolonie van een paar duizend, draaikolken en tyfonen - het is allemaal niet in Hollywood verzonnen maar berust op de werkelijkheid van de wereldzeeën.

Door deze en dergelijke verhalen zou de indruk kunnen ontstaan dat avonturen ter zee alleen bestaan uit verschrikkelijke gebeurtenissen waarbij de verteller er ternauwernood het leven heeft afgebracht. Maar de zee heeft ook een rauwe poëzie die niets met mensen te maken heeft. De zee biedt een toevlucht aan misantropen, niet de actieve misantropen maar degenen die op de mensen zijn uitgekeken zonder daar enige actie aan te verbinden. Ook die vind je aan boord, deze kluizenaars ter zee, de zwijgzamen die zich verzadigen aan de aanblik van een wereld zoals die er ook uitzag vóór de schepping van de mens. Van die tijdloze taferelen noem ik er twee die ik zelf heb gezien.

Het eerste is natuurlijk de Golf van Biskaje bij storm, waar dan de geweldige golven van de Oceaan zich zeer geleidelijk ontwikkelen tot de rollers van de branding. Het water wordt door het bondgenootschap van de storm en de langzaam naderende zeebodem opgestuwd. De zee is nog diep maar toch niet zo dat ze die onbecijferbare massa's zonder weerstand wil bevatten. Zo ontstaan de golven die huizenhoog zijn. Dat klinkt te simpel. Het zijn bewegende huizen, grauwe torens met wit schuimende daken waar je niet overheen kunt kijken en die met onverzettelijke traagheid op je af komen. Het schip gaat mee, wordt opgetild tot over het dak en valt in een diepte waarvan je denkt dat het er nooit meer uit zal komen. Zo laat de zee de mens een toontje lager zingen.

Toen voeren we door het Suez Kanaal en 's nachts door de Bittere Meren. In het wasbekkentje van mijn hut ging het water vanzelf al borrelen, het lichaam had zijn vermogen tot zelfkoeling verloren. Ik besloot aan dek te gaan slapen. Bij het stampen van de machines dommelde ik in.

Ik werd wakker van vogelgekrijs; de meeuwen. Het was een uur of zes, de zon ging op. Steunend op mijn ellebogen overzag ik de schepping. We waren in de Golf van Taufiq, de zee donkerblauw, olieglad, en voor me uit rotspartijen, rood gekleurd door de zonnestralen, dik, rond en in zware plooien als de geweldige poten van een daar eens gestold voorwereldlijk dier. Vraag me hoe het een miljoen jaar geleden op aarde eruit zag, en ik zeg: ga op een vroege morgen kijken in de Golf van Taufiq.