Zwartrijden in Parijs

Malika Wagner: Eindpunt Gare du Nord (Terminus Gare du Nord). Vert. Mirjam de Veth. Uitg. De Arbeiderspers, 124 blz. ƒ 29,90.

Ze zijn zestien en wonen in een troosteloos saaie Parijse voorstad met flatgebouwen vol multiculturele 'achterstandsgezinnen' en veel nette armoe. En moeilijke ouders natuurlijk. Niet alleen moeilijk zoals alle ouders in de jaren zeventig moeilijk waren, maar extra problematisch omdat het nauwelijks Frans sprekende Vietnamezen zijn, een depressieve gescheiden moeder of een analfabete Algerijnse vader die zijn verbittering op zijn kinderen botviert.

Toch zijn het drie ondernemende, levenslustige meiden en dus reizen ze, zodra ze de kans krijgen, zwart naar de Parijse binnenstad en proberen de verveling van de lange, warme zomer zonder vakantie te verdrijven met rondhangen, toeristen op het Gare du Nord bekijken en van de wijde wereld dromen. Want hoe klein hun wereld ook is, ze hebben een hoofd vol aan tv en lectuur ontleende romantische illusies die al snel geprojecteerd worden op drie Noorse jongens die ze op het station ontmoeten. De blonde, roodverbrande reuzen in hun afgescheurde spijkerbroeken lijken de meisjes een soort buitenaardse wezens. Het krankzinnige plan ontstaat om een van de vriendinnen naar Noorwegen te sturen teneinde de contacten te verstevigen en ze zien daadwerkelijk kans het geld daarvoor bijeen te schrapen. En zijn dus aan het einde van de zomer vele illusies armer. Volwassen, maar sadder and wiser.

Dat is in grote lijnen het verhaal van Malika Wagners ontroerende debuutroman uit 1992 Eindpunt Gare du Nord (Terminus Gare du Nord), waarvan onlangs een uitstekende vertaling is verschenen. Het ontroerende schuilt niet in het verhaal, maar in Wagners manier van schrijven. Het verslag van de zomeravonturen wordt gedaan door 'ik' - in wie autobiografische elementen te vermoeden zijn, gezien Wagners Frans-Algerijnse achtergrond - in de taal van een zestienjarige. In haar beschrijvingen klinken alle humor, onzekerheid, tederheid, stoer cynisme en frustraties door van een intelligent en opstandig meisje tussen servet en tafellaken. De sociale problemen komen als het ware terloops, van binnenuit, aan de orde, zoals de fragmenten over de geleidelijke teloorgang van het lagere school-vriendje Abdel. Of de haarscherpe observatie van de uitzichtsloze situatie van haar moeder, gevangen in een huwelijk dat haar heeft teleurgesteld maar zonder de kracht zich los te rukken. Als Wagner al een roman met een sociale strekking heeft willen schrijven, dan heeft ze dat op een manier gedaan die een ware verademing is. Maar in de eerste plaats schrijft ze het overtuigend relaas van een tiener op weg naar volwassenheid.