Zoeken naar waar verf en illusie elkaar raken

Tentoonstelling: Positionen, Beobachtungen zum Stand der Malerei in den 90er Jahren. Met werk van Heinrich Dunst, Bernard Frize, Jonathan Lasker, Ingo Meller, David Ortins, Adrian Schiess en Luc Tuymans. Museum Folkwang, Goethestrasse 41, Essen. Di t/m zo 10-18u, do 10-21u. T/m 6 aug.

Het beste wat de schilderkunst de afgelopen tien jaar is overkomen is ongetwijfeld dat ze werd doodverklaard. Door wie dat gebeurde is nooit erg duidelijk geworden, maar achteraf had de overlijdensadvertentie nog het meest weg van een uitgekiende marketingstrategie waarbij een flippo-manager zijn vingers zou aflikken. Want welk mechanisme er ook in werking werd gezet; resultaat was in ieder geval dat de schilderkunst levendiger bleek dan ooit.

Toch waren vooral Duitse museumconservatoren erg tevreden met dit nieuwe theoretische speeltje, want het bood ze de gelegenheid tentoonstellingen te maken die de vitaliteit van de schilderkunst weer in twijfel konden trekken. In Wenen en Hamburg werd bijvoorbeeld twee jaar geleden Der Zerbrochene Spiegel georganiseerd, en deze zomer heeft Gerhard Finckh in Museum Folkwang in Essen de tentoonstelling Positionen samengesteld, waarin hij aan de hand van het werk van zeven schilders die tussen de dertig en veertig jaar oud zijn, opnieuw kijkt 'naar de posities die schilders heden ten dagen innemen'.

Het gebruik van het woord 'posities' is veelzeggend omdat Finckh daarmee nadrukkelijk verwijst naar een interessant aspect van die 'einde van de schilderkunst'-discussie. Sinds de impressionisten en post-impressionisten tot het besef kwamen dat een schilderij eigenlijk niet meer is dan een stuk linnen met wat verf erop, is er in deze eeuw een 'schaal van illusionisme' ontstaan, waarvan de polen worden bepaald door de manier waarop een schilder met zijn verf omgaat. Op het ene uiteinde van die schaal staan de 'traditionele' figuratieve schilders, die werken in de traditie die verf vooral beschouwt als een middel om de toeschouwer een illusionaire werkelijkheid van mensen, landschappen of huiskamers voor te spiegelen.

Aan het andere uiterste van die schaal is deze eeuw een groep schilders opgekomen die dat illusionistische effect nadrukkelijk aan de kaak stelde. Juist door hun extreme positie waren deze schilders nadrukkelijk 'modern' en zorgden ze ervoor dat nadrukkelijk figuratieve kunst steeds meer uit de museale belangstelling verdween. Schilders als Robert Ryman en Ad Reinhardt begonnen structureel te onderzoeken wat de verf zelf uitdrukte - door verschillende manier van schilderen, door het gebruik van verschillende soorten kwasten en verschillende ondergronden te gebruiken. De illusie was voor hen een bijzaak geworden.

Als er nu op de Positionen in Essen één ding duidelijk wordt, is het wel dat ook het 'verf-om-de-verf-beginsel' inmiddels klassiek is geworden. En met klassiek bedoel ik dan niet alleen dat die methode volledig is geaccepteerd (of dat in ieder geval zou moeten zijn), maar ook dat het geen 'moderne' of 'vernieuwende' manier van werken meer is. De tijd is aangebroken waarop je kunt zeggen dat de 'verf-om-de-verf-abstractie' zijn punt heeft gemaakt, net als de 'figuratie om de figuratie' een eeuw eerder, wat alleen maar wordt bevestigd door het feit dat er in de hedendaagse beeldende kunst geen toonaangevende 'moderne' stromingen meer te vinden is.

Het is dan ook opmerkelijk dat Finckh op zijn Positionen toch heeft gekozen voor schilders die nog steeds nadrukkelijk met 'verf om de verf' bezig zijn. Van de zeven kunstenaars die hij in zijn tentoonstelling heeft opgenomen zijn er vijf bezig met verfexperimenten. Door hen op de voorgrond te plaatsen betoont Finckh zich eigenlijk een moderne traditionalist die er vanuit lijkt te gaan dat 'extreme' abstractie nog steeds de modernste of belangwekkendste kunst voor de jaren negentig oplevert.

Twee van de deelnemers aan Positionen, Bernard Frize en David Ortins, experimenteren bijvoorbeeld door hun verf respectievelijk te mengen met hars of te schilderen op was. Bij Frize ziet dat er allemaal nogal gemakzuchtig uit, maar bij Ortins werkt die mengvorm af en toe verrassend; de was geeft zijn schilderijen een sterke gelaagdheid wat spannende diepten en perspectieven oplevert.

Ook Ingo Meller werkt op zo'n experimentele manier, al is het enige wat hij doet met een brede kwast op kaal, met spelden op de muur geprikt linnen, brede, dikke lagen verf smeren - naast elkaar. De titels van zijn doeken zijn opsommingen van de verfsoorten die hij gebruikt: Neapelgelb hell, Schevingen; Chromoxidengrün feurig - Farbton, Winton 43; Cadmiumrotpurpur, Scheveningen 25 heet bijvoorbeeld een van zijn werken. Ondanks de volstrekte eenduidigheid die dat oplevert is Mellers ongegeneerde verfsmeerderij soms spannend - dit in tegenstelling tot het werk van Heinrich Dunst en Adrian Schiess. Hun schilderijen zijn perfecte voorbeelden van werk dat vooral aandacht lijkt te krijgen bij de gratie van de modernistische traditie - monochrome vlakken die voornamelijk verschillen doordat hun ondergrond verschillend is. Je kunt er een tijd naar turen en constateren dat de werken niet allemaal precies hetzelfde zijn, maar daarmee houdt het dan ook wel zo'n beetje op. Zowel Dunst als Schiess zijn daarmee typische voorbeelden van dwergen die op de schouders van reuzen als Ryman of Reinhardt staan en hun positie alleen daardoor kunnen rechtvaardigen. Verder zijn hun werken vervelend - ze voegen zowel niets toe aan de expermimenten van een prachtschilder als Robert Ryman en hebben ook zelf weinig te vertellen.

Dat Finckhs positiebepaling toch niet helemaal hopeloos is blijkt uit de laatste twee schilders die hij in zijn expositie heeft opgenomen. Zowel Jonathan Lasker als Luc Tuymans begeven zich, hoe verschillend hun werk verder ook is, ergens op het midden van de 'schaal van illusionisme'. Laskers doeken hebben meestal felgekleurde achtergronden waarop hij chaotische, zwarte lijnenpatronen plaatst. Daaroverheen zet hij weer dikgeschilderde, rommelige kleurenvlakken die zijn werk erg levendig maken, op een speelse, bijna kinderlijke manier. Tuymans schildert figuratieve onderwerpen, als een hoofd, twee vingers of een neus, maar hij doet dat in zulke dunne, zachte kleuren en vanuit zulke ongebruikelijke perspectieven dat je als toeschouwer regelmatig twijfelt waar je toch naar staat te kijken. Vooral Tuymans' werk wordt daardoor een prachtige zoektocht naar het gebied waar verf en illusie elkaar raken.

Dat de schilderkunst dood zou zijn is natuurlijk een gotspe en gelukkig zijn er op Positionen schilders als Lasker of Tuymans om dat te bewijzen. Hun doeken leveren zoveel spanning, twijfel en ontroering op dat nietszeggende overlijdensadvertenties van de Dunsten en Schiessen onmiddellijk weer vergeten kunnen worden.

    • Hans den Hartog Jager