We moeten er wél ethisch over doen

Kolonel C. Brantz, onderbevelhebber van UNPROFOR zit er niet mee dat de Nederlanders tienduizenden jonge mannen en vrouwen aan de Serviërs hebben uitgeleverd na ze eerder te hebben ontwapend. De Nederlanders hadden geen keus: “dan waren waarschijnlijk Dutchbat en de vluchtelingen rond Potocari in de pan gehakt” (NRC Handelsblad 17 juli). Nederland heeft dit verhinderd door de weerbare mannen en jonge vrouwen uit te leveren: “Het hemd is nader dan de rok”, zegt Brantz.

En hij heeft gelijk: als een soldaat al bereid is te sterven, dan hoogstens voor zijn eigen vaderland, waarmee hem een bijzondere solidariteit verbindt. Van niemand kan verlangd worden, dat hij zijn leven geeft voor Bosnische moslims - ofschoon de Canadezen dat, mutatis mutandis, wel voor ons deden. Maar toen was er nog het absolute kwaad, dat voor iedereen buiten kijf stond: Hitlers nazi's.

Kolonel Brantz ziet dat nu anders: “We missen 20.000 mensen. Waar zijn ze? Ik wil hier niet ethisch over doen. Wat voor ons illegaal is, is voor de Serviërs legaal. Wij lopen hier even zes maanden rond, zij voeren al drie jaar oorlog. Zij willen hun krijgsdoelen bereiken en dan is ethiek een nutteloos woord”.

Blijkbaar is Kolonel Brantz van mening dat uiteindelijk alles geoorloofd is, als het maar noodzakelijk is voor het bereiken van de doelstelling, die je je bij de oorlogsvoering stelt. Omdat etnische zuiveringen, verkrachtingen, moordpartijen op weerlozen en martelingen van krijgsgevangenen etcetera voor de Serviërs middelen zijn om hun krijgsdoelen te bereiken, moeten we verder niet ethisch doen: “Het is vervelend te erkennen”, zegt Brantz, “maar generaal Mladic is gewoon beter dan onze Westerse politici”.

Eén van die Westerse politici is zonder twijfel Hans van den Broek, met zijn interview in NRC Handelsblad van 15 juli: “Ik herinner me ook uitspraken die ooit zijn gedaan door de bemiddelaars: misschien dat Bosnische Moslims zich niet realiseren, dat ze de oorlog hebben verloren. Dat is een moreel onaanvaardbaar uitgangspunt voor het zoeken naar een politieke oplossing. Welke oplossing is dat dan? Het recht van de sterkste?”

Het 'recht van de sterke' zien wij niet als Recht, en het is wellicht goed Brantz eraan te herinneren, dat 'het recht van de zwakke' niet door softe filosofen is uitgevonden, maar in de zesde eeuw voor Christus in Griekenland door krijgers is erkend in een situatie die sterk lijkt op die van Srebrenica: de Grieken hadden een andere Griekse stad totaal omsingeld en zouden er toe overgaan, zoals gewoonlijk (het recht van de sterke), de inwoners te vermoorden, te verkrachten of tot slaaf te maken, toen dezen riepen: wij zijn óók Grieken! De aanvallers zagen daar plotseling de logica van in, eisten een tribuut, maar moordden de bevolking verder niet uit. Dat was het echte begin van onze typisch Westerse beschaving en het is tot op de dag van vandaag de basis van onze democratie.

Wat toen alleen de Grieken waren (de barbaren golden nog niet als mensen), zijn nu alle mensen: dat is de basis van onze mensenrechten. Onze Westerse beschaving berust er op, tegenover een absoluut militair overwicht te kunnen zeggen: “Wij zijn ook mensen”! Als kolonel Brantz vindt dat “hij er niet ethisch over moet doen”, als de Serviërs die mensenrechten nu met voeten treden en hun militair overwicht weer gewoon gebruiken, zoals voor 600 vóór Christus, om uit te moorden, te verjagen en te verkrachten, dan ontneemt hij zijn soldaten elke motivatie om zich voor de Bosnische moslims als mensen in te zetten, en hun eigen leven op het spel te zetten om mensen te redden die door overmacht in uitzichtloze situaties geraakt zijn, zoals de Canadezen zich voor ons meenden te moeten inzetten.

Als Dutchbat het recht van de sterke erkent, had het nooit naar Joegoslavië mogen vertrekken. Het gaat niet om een pokerspelletje met Mladic. De tragiek van Dutchbat schuilt daarin, dat nu pas, en dan nog slechts heel behoedzaam en incidenteel, de politici die essentiële waarden bij de onderhandelingen durven inzetten, omdat zij te veel heimelijke bewondering hebben voor de effectiviteit van het Servische cynisme. Te veel politici zijn nog bang voor opmerkingen over hun realiteitszin, terwijl het de hoogste tijd wordt de Serviërs met hun eigen onvoorstelbaar anachronisme te confronteren.