Water spuit en spiegelt bij beeldenexpositie in Arnhem

Tentoonstelling: Beeld in zicht. T/m 27 aug. Museum voor Moderne Kunst Arnhem, Utrechtseweg 87, Arnhem. Di t/m za 10-17u, zo 11-17u.

'Mijn hoofd rookt', zei mijn grootmoeder altijd als ze het te druk had. Uit het hoofd van het bronzen afgietsel dat de Italiaan Alighiero e Boetti (1940-1994) van zichzelf maakte, stijgt regelmatig rook op. Toch maakt deze keurig geklede figuur geen geagiteerde indruk, integendeel. Hij staat in de lommerrijke tuin van het Arnhemse Museum voor Moderne Kunst (tot voor kort Gemeentemuseum Arnhem) en spuit met korte tussenpozen water op zijn verhitte kop. De waterdamp markeert volgens Boetti de overgang tussen lichaam en geest, tussen kunst en natuur.

Water heeft ook bij andere beelden in deze tuin een symbolische functie. Uit de koele Ondergrondse fontein van Thom Puckey spuit rood water omhoog en in de diamantvormige Venustrechter van Rebecca Horn verdampen waterdruppels. De mannenfiguur van de jonge Engelse beeldhouwer Marc Quinn die opgesloten zit in een beslagen telefooncel spuit uit alle lichaamsgaten donkerrood vocht. Tijdens de laatste Sonsbeek-tentoonstelling die in 1993 in Arnhem plaatsvond, veroorzaakte deze moderne versie van de Griekse wijngod Bacchus-met-erectie een rel omdat hij voor een gereformeerde kerk stond. In de nieuwe opstelling bij de ingang van het museum heeft het werk, tot verdriet van de kunstenaar zelf, veel van zijn provocerende kracht verloren.

Sinds 1949 zijn in en om het Arnhemse park Sonsbeek acht beeldententoonstellingen gehouden. In de collectie van het Arnhems museum zijn daarvan veel sporen terug te vinden, zo blijkt op de expositie Beeld in zicht, die deze zomer ter viering van het 75-jarig bestaan is georganiseerd. Behalve Quinn is ook Boetti in 1993 aangekocht op Sonsbeek. Eerder werden onder meer de trechter van Horn verworven, een granieten bankje met inscriptie van Jenny Holzer en een bronzen Warrior van Henry Moore uit 1955.

Ook de recente Nederlandse beeldhouwkunst is vertegenwoordigd met werk van onder anderen Sjoerd Buisman, Kees Franse, Ewerdt Hilgemann, Henk Visch en Sigurdur Gudmundsson. Vanuit de tuin heeft men een schitterend uitzicht op de Rijn. De Rijnlijn die Loes van der Horst speciaal voor deze plek ontwierp was tijdens mijn bezoek in restauratie.

Binnen tekent zich in de beeldenverzameling van het museum een aantal groepen af. Behalve enkele losse Romeinse, middeleeuwse en negentiense-eeuwse beelden bezit het museum veel porselein en aardewerk uit Delft, Meissen en China, en kleinplastiek van beeldhouwers als Lambertus Zijl en Joseph Mendes da Costa. Van de laatste zijn er niet alleen aandoenlijke aapjes en uiltjes te zien, maar ook een opmerkelijke, gestileerde kop van Gandhi (1939) uitgevoerd in gepolychromeerd hout. Typisch voor de jaren zestig zijn de nu wat oubollige keramische fantasiewezens van Harm Kamerlingh Onnes, Lies Cosyn en Heidi Daamen.

Een ander zwaartepunt vormen de beeldhouwers rondom Gijs Jacobs van den Hof (1889-1965) aan wie het museum onlangs een tentoonstelling wijdde. Jacobs van den Hof die een tijd lang een atelier deelde met John Readecker, gaf les op de academie in Arnhem. Van één van zijn leerlingen, Leo Braat, bezit het museum door aankoop of schenking verschillende werken in keramiek, brons en (gepolychromeerd) hout, zoals een Januskop met grote helder-blauwe ogen.

Vanaf het begin in 1949 was het Arnhemse museum betrokken bij de organisatie van de openlucht-tentoonstellingen in Sonsbeek. In 1986 werd mede op initiatief van de huidige directeur, Liesbeth Brandt Corstius, na vijftien jaar de Sonsbeek-traditie nieuw leven ingeblazen (de laatste, getiteld Sonsbeek Buiten de Perken, vond in 1971 plaats). Door tentoonstellingen en aankopen besteedt Brandt Corstius regelmatig aandacht aan beeldhouwkunst; vorig jaar bijvoorbeeld aan de 'Arnhemse school' die in Nederland lange tijd het aanzien van de kunst in de openbare ruimte heeft bepaald. Bij het verzamelen van hedendaagse kunst richt het museum zich op 'verbeeldende kunst': abstract-geometrische of constructivistische kunst ontbreekt.

Dit soort inventariserende tentoonstellingen is meestal nuttig maar niet erg opwindend. Ze geven een overzicht van de collectie, maar het resultaat is vaak een saaie opsomming met te veel middelmatige werken. In Arnhem is dit gevaar grotendeels vermeden. De beelden die de laatste jaren zijn aangekocht, staan ruim en overzichtelijk opgesteld en er zijn voldoende verrassingen, zoals een ranke zeilwagen van Carel Visser bestaande uit een voederbak met glazen zeil, een grote plattegrond die de Amerikaanse Alice Aycock in hout bouwde naar een middeleeuws klooster in Sankt Gallen en twee expressieve koppen van Alphons Freymuth.

In de laatste zaal waar men net als in de tuin hoog uitkijkt over de Rijn, hangt aan de wand een zwarte, glazen bol van Maria Roosen als een geheimzinnige, spiegelende pupil. Twee recent verworven werken van Roosen zijn uitgeleend voor haar presentatie op de Biennale van Venetië. Bruiklenen van de kunstenares vangen dit gemis op. In combinatie met Nachtwerk, een poëtische installatie van Margriet Kemper, vormt deze zaal met de tuin het hoogtepunt van de tentoonstelling.