Reus van onderaardse vuren

Surtur is de naam van de reus die volgens oud-IJslands geloof de onderaardse vuren stookt. Op 14 november 1963 zagen vissers van de Westmanneilanden, nabij de zuidkust van IJsland, voor het eerst het ijskoude water aan de oppervlakte van de 125 meter diepe zee borrelen. Kort daarna volgden de rookkolommen en nog later het vuur zelf. De onderzeese vulkanische explosie bracht, uit twee kraters, een lavastroom op gang die vier jaar duurde. Sindsdien ligt Surtsey - eiland van Surtur - in de golven van de noordelijke Atlantische Oceaan alsof het er altijd heeft gelegen. Het is tamelijk groot (de oppervlakte bedraagt 2,7 vierkante kilometer) en het hoogste punt steekt 154 meter boven de zee uit.

Je kunt er boven vliegen of omheen varen, met een bootje vanuit Heimaey ('thuiseiland'), het grootste en enige permanent bewoonde Westmanneiland, maar je mag er niet op. Kort nadat het uit zee was verrezen, kreeg Surtsey de status van beschermd nationaal monument. Het wordt beheerd door de Surtsey Research Society ('Surtseyjarfélagid'), die alleen wetenschappelijke onderzoekers op het eiland toelaat. Volgens het laatstverschenen 'progress report' van de stichting (1992) zijn al een kleine driehonderd wetenschappelijke publikaties aan Surtsey gewijd. Dat is nog meer dan aan de spectaculaire uitbarsting van de vulkaan Eldfell op Heimaey in 1973 die tot de evacuatie van de bijna 5000 eilandbewoners leidde.

De wetenschappers, die op Surtsey de unieke kans kregen het 'ontstaan van leven' te bestuderen, verbleven in het enige huis dat, al in 1966, speciaal voor hen is gebouwd. Het heette Pállsbaer, naar de inmiddels overleden Amerikaanse professor Paul S. Bauer die de constructie grotendeels betaalde. Het huis werd overigens zelf slachtoffer van geomorfologische veranderingen op Surtsey. In 1985 werd Pállsbaer II op een meer stabiele plek opgetrokken. Het rode dak is goed zichtbaar vanaf de bootjes waarmee toeristen vanaf Heimaey naar het eiland varen.

De versteende lava die aan de zuidkust van Surtsey bijna loodrecht twintig meter hoog uit zee oprijst, is nog overwegend grijsblauw en zwart gekleurd. Maar grote delen van de zuidelijke hellingen zijn al groen en geel gekleurd van kostmossen, mossen, kleine plantjes en zelfs gras. De begroeiing - er zijn in totaal 25 verschillende planten gevonden - is ontsproten aan zaad dat vogels van het nabijgeleden land hebben overgebracht. De eerste plant die er werd ontdekt, een zeeraket, is naar het schijnt al weer uitgestorven. De erosie is er zo hevig dat alleen de sterkste soorten kunnen overleven. Er nestelen uiteraard zeevogels en er zijn kleine kolonies van twee soorten robben op de lage en zanderige noordpunt van het eiland. Vorig jaar werd de eerste aardworm aangetroffen.

Als gevolg van de onderzeese vulkaanexplosies die in 1963 begonnen, ontstonden aan weerszijden van Surtsey in 1965 nog twee kleine eilanden, Syrtlingur en Jólnir. Na ongeveer een half jaar verdwenen ze onder de waterspiegel. Surtsey zal waarschijnlijk blijven bestaan. De IJslandse landmeetkundige dienst (Landmaelingar) publiceerde vorig jaar de eerste officiële kaart van Surtsey ter gelegenheid van het - enigszins willekeurig vastgestelde - dertigjarige bestaan van het eiland. Maar in deze barre omgeving is weinig zeker. In de winter, als het stormt - en het stormt hier vaak en hevig - beuken golven van soms dertig meter hoog op de kusten. En onderaards, op sommige plekken al op honderd meter diepte, gaat op Surtsey de strijd tussen vuur en water voort. Uit de gaten in de bodem en schachten die soms tientallen meters diep zijn, stijgt nog steeds de onwelriekende adem van Surtur op.