Requiem.

Je mag het niet zeggen, maar ik kan nog steeds niet huilen om het inferno van Sebrenica en Zepa. Te apocalyptisch, te massaal, te politiek? Of komt het omdat slachtoffers en daders zoveel op elkaar lijken? Het mededogen gloeit maar het blijft onbestemd, alsof het permanent in transit is.

In de dood van Fabio Casartelli werd ik wél persoonlijk geraakt. Toen de zes Motorola-renners, de dag na de fatale val, als een rouwlint over de streep in Pau kwamen kreeg ik het behoorlijk te kwaad. Later, met de stem van Pia Dijkstra achter de beelden, werd het alleen maar erger.

Ik heb Fabio Casartelli nooit gesproken, niet eens van dichtbij gezien. Misschien was hij wel een etter, of een uitvreter. Ook zijn exploten als renner hebben me nooit bereikt. En toch kan ik maar geen afscheid nemen van het nagenoeg anonieme nummer 114 en haatte ik de zon op de dag van zijn begrafenis. Ik vervloek god die al eeuwen over CNN beschikt en die dus, lang voor de renners, had kunnen zien hoe verraderlijk die afdaling van de Portet d'Aspet was. God gaf niet thuis.

Hoe komt het toch dat ik niet met droge ogen naar het gebroken hoofd van een wielrenner op het wegdek kan kijken en in een bijna comateuze passiviteit het zoveelste mortiervuur op Zepa consumeer? Met andere woorden: wanneer wordt verdriet om anderen persoonsgebonden? Slijtage door het repetitief karakter van de oorlog kan het niet zijn: ooit is in Bosnië ook de eerste dode gevallen - dat is mij ontgaan. Of ik heb het geduld en vergeten. Fabio Casartelli vergeet ik nooit meer.

Verdriet met twee snelheden. Misschien heeft het te maken met het wezen van de sport. Oorlog staat (voor de na-oorlogse generaties) buiten het leven, de Tour staat er middenin. Ook wie niet over die zes cols in de Pyreneeën kan klimmen ontleent aan het peloton de grandeur van een jeugd en een droom en gaat met de renners mee in de illusie van onsterfelijkheid. Wielersupporters zijn per definitie uitvouwbare mensen: in het getuige zijn groeien ze zelf tot de hoogte van het kleine epos dat deze of gene renner namens hen heeft volbracht. De identificatie tussen de renner en zijn aanhang is even hevig als naïef en onomkeerbaar: veel meer nog dan het commerciële circus is de Tour het feilloze laboratorium voor plaatsvervangend geluk en glorie.

De dood van Fabio Casartelli kan het begin zijn van een culturele revolutie. Sinds een paar jaar worden coureurs gestigmatiseerd als medisch geprepareerde robotten. Dat zijn ze vaak ook. Maar woensdag, voor en tijdens de zestiende etappe, brak het peloton uit het pantser van de technologische vooringenomenheid. Bij de start in Tarbes stonden weer mensen te treuren, jongens van gewone komaf die nooit geleerd hebben hoe ze met verdriet en rouw moeten omgaan. En die toch in een verpletterende minuut stilte demonstreerden dat ze wel hightech fietsen en eten maar daarom nog niet hightech denken en voelen, dat doen ze op de eigen, kleine menselijke kracht. Deze keer stonden de zonnebrillen op om de gezichten te verbergen. De rit zelf was al even indrukwekkend: zwijgend, in wandeltempo, de ruggen gebogen van pijn, niet om te winnen, gaven de renners de Tour-directie een lesje in postuum eerbetoon voor hun collega. De avond van het dodelijke ongeluk had Leblanc nog gemeend dat de dood van Fabio kon worden genegeerd. Op de uitslagenlijst van de 15de etappe stond achter Casartellis naam: abondon. Zoveel wansmaak in een woord kan zelfs Jules Deelder niet bedenken. In het ceremoniehuisje op Cauterets gingen de feestelijkheden gewoon door: coca cola-meisjes, kussend en dansend onder een orkaan van houseklanken, politici en sponsors naast de truidragers, knorrend van ijdelheid in het hoge licht van het podium waarin ze zelf mochten stralen. Kortom, de dood kreeg op die zwarte dinsdag geen plaats in het marketingplaatje van organisatie en sponsors.

Ik zag Hennie Kuiper staan. Altijd een ouwe knotwilg, nu een levend lijk, helemaal gebroken. Zijn tranen kwamen van heel diep. Zo diep dat je ze hoorde kraken. Er viel zo'n donkere grauwsluier over zijn gezicht dat hij na een paar minuten nog nauwelijks herkenbaar was. Bij dit echte, rauwe verdriet moest ik ineens aan Pronk denken die met zijn gepolijst gevoel voor spectaculair leed weer de verkeerde dingen over Bosnië had gezegd. En ik spuugde de naam van deze neo-imperialist van de emotie uit als een kwade vlieg.

Mede namens Hennie.