Produktiviteit en groei

Misschien is het wel 't voornaamste sociaal-economische verschijnsel van de afgelopen eeuw. Het beïnvloedde de levens van miljarden mensen in ieder geval grondig. Toch kreeg het pas na de laatste wereldoorlog, en dan eerst nog alleen in de Verenigde Staten, een naam, namelijk produktiviteit, ofwel de verhouding tussen output en input. Populairder gezegd: de mate waarin er meer wordt geproduceerd met dezelfde middelen, dan wel hetzelfde wordt geproduceerd met minder middelen. Het meest gezaghebbende Britse woordeboek, de Concise Oxford, maakte in zijn editie van 1950 nog niet eens melding van produktiviteit in zijn huidige betekenis. Toch geldt het nu als de ultieme wealth of nations die het concurrentievermogen en de welvaart van een gemeenschap bepaalt.

Toen Karl Marx in 1883 voorgoed de ogen sloot, had hij nog nooit van 'produktiviteit' gehoord. Evenals voor zijn tijdgenoten gold voor hem dat een arbeider zijn produktie allen kan vergroten door langer en/of harder te werken. Vandaar Marx' theorieën over Verelendung en klassenstrijd.

Uitgerekend in hetzelfde jaar 1883 ontketende de Amerikaanse zakenman en speurder Frederic Winslow Taylor een omwenteling. Hij bedacht dat kennis en technologie behalve op gereedschappen en produktie, zoals in het verleden, ook direct konden worden toegepast op de arbeid en de arbeidsorganisatie zelf (zijn theorie van de arbeidsdeling). Daarmee ontketende de weinig bekende Amerikaan een door de beroemde Marx nimmer vermoede produktiviteitsrevolutie die het proletariaat in driekwart eeuw veranderde tot een middenklasse met een inkomen dat bijna zo hoog lag als dat van de zogenaamde 'hogere klassen'.

Zo groeide de produktiviteit de afgelopen eeuw in de nu ontwikkelde landen met 3 à 4 procent per jaar, goed voor een vijftigvoudige expansie van de totale produktiviteit. Daarmee werden deze eeuw de klassenstrijd en het communisme verslagen en daarop berustte de fabelachtige welvaartsgroei zonder historisch precedent. Eenderde tot de helft van de produktiviteitsvruchten werd overigens genoten in de vorm van meer vrije tijd. Tot 1914 werkte iedereen minstens 3000 uur per jaar. Nu werkt zelfs een Japanner niet meer dan 2000 uur, een Amerikaan 1800 uur en een Westeuropeaan nog maar 1600 uur per jaar. De produktiviteitsrevolutie betaalde ook voor de veelvoudige expansie van onderwijs en gezondheidszorg.

Toch dreigt nu een reëel gevaar, namelijk dat die fabuleuze produktiviteitsrevolutie gaat haperen met alle sociaal-economische stagnatie vandien. Zij betrof de afgelopen eeuw vooral de landbouw en de industrie die toen het leeuwedeel van de economie uitmaakten. Maar de laatste kwart eeuw kwam het in deze sectoren juist door de ongeëvenaarde groei van de produktiviteit tot een ongekende uitstoot van arbeid. Men kon steeds méér met minder mensen. Werkte in 1950 in Amsterdam bijna de helft van de mensen in de industrie, nu nog ruim 10 procent.

Waar gingen al die mensen heen? Naar de veel minder grijp- en meetbare diensten. Dat zijn geen tastbare produkten of constructies maar alle handelswaren die je - populair gezegd - niet (hard) op je voeten kunt laten vallen. Dat gaat van gezondheidszorg, onderwijs, amusement, veiligheid, openbaar bestuur en financiële dienstverlening, tot alle ontwikkelings-, marketing-, en service-aktiviteiten in de traditionele landbouw en industrie. Nu al werkt meer dan 70 procent van alle Nederlanders in deze brede dienstensector en het einde van de groei is nog niet in zicht.

Helaas is een hoofdoorzaak van deze banenexplosie juist het gebrek aan produktiviteit in de diensten die nog ruim onder die van landbouw en industrie ligt. Vandaar een steeds vaker gehoorde waarschuwing: de ontwikkelde economieën worden bedreigd door economische stagnatie tenzij zij de produktiviteit in de dienstensector weten op te schroeven. Is dat mogelijk? En welke rol speelt de technologie daarbij?