O zingen in de dingen; Veelvormige gedichten van Pieter Boskma

Pieter Boskma: Simpel heelal. Uitg. In de Knipscheer. 144 blz. Prijs ƒ 39,50.

'En tepels zwellen pijnlijk helder als een luchtalarm'. Dit is zomaar een beeld, een van de vele, uit de nieuwe bundel van Pieter Boskma. Wie Boskma nog steeds associeert met de poëzie van de Maximalen kan zich door zo'n regel meteen laten geruststellen: hij is blijkbaar nog niet veel veranderd. Wilde vergelijkingen, veel bijvoeglijke naamwoorden, opsommingen, losse waarnemingen: het is er allemaal nog.

Die tepels behoren bijvoorbeeld toe aan 'verliefde dertigers'. Wie ze zijn weten we niet, maar 'hun tongen grijpen elkaar vast', terwijl 'de lange junischemering vonken uit hun zonnebril slaat'. Vermoedelijk bevinden we ons in een park. Daar is ook een man met een boek op schoot. Hij 'knelt haast archaïsch tussen de moderne moleculen/ van het voorjaar, en kijkt wakker, en wacht af'. Zodat we met de dichter kunnen concluderen: 'zo gebeurt er van alles en niets rondt iets af', meteen een goede karakteristiek van zijn eigen poëzie.

Boskma zal het niet leuk vinden om weer aan zijn maximale verleden herinnerd te worden. Maar hij maakt het er zelf wel naar. Hij spreekt cynisch van 'overjarig minimalen' die willen verwijlen in 'de goeie ouwe tijd vol bloem en bleke facie', en hij fulmineert nog maar weer eens tegen de 'lege', 'in zichzelf verdwijnende sneeuwwitte' poëzie van dichters als Hans Faverey. En verder wemelt het in zijn gedichten nog steeds van de maximale maniertjes. Hij kan maar geen genoeg krijgen van de opzichtige alliteratie: een 'viriele veranda' en een 'sobere sombrero'. Hij houdt nog steeds van de stijlbreuk: oude woorden als zelve, wederom, wende en wiekslag worden bij voorkeur gebruikt in een moderne omgeving met freaks, polyester en conditioner. En dan zijn er de krachtige metaforen die veel warrigheid moeten overschreeuwen. Zijn het niet tepels die als een luchtalarm zwellen, dan zijn het wel 'messcherpe gezichten van volslagen onbekenden' die 'zwellen uit het tafelblad'.

Het is nog niet zo eenvoudig om deze gedateerde buitenkant te negeren. Maar wie er toch enigszins om- en doorheen probeert te lezen ziet dat Boskma meer is dan alleen een verstokte maximaal. Zeker in Simpel heelal, zijn dikste en veelzijdigste bundel tot nu toe. Om te beginnen bestaat hij eigenlijk uit twee bundels. De tweede helft (ruim zestig bladzijden) wordt in beslag genomen door een tweeduizend versregels tellend gedicht, een lyrische verwerking van de dood, in 1991, van Boskma's vriend en collega-dichter Paul van der Steen. De eerste helft (ook ruim zestig bladzijden) bestaat uit vijf afdelingen waarin, bij alle maximale overeenkomsten, toch verschillende dichters aan het woord zijn.

Hoe ver Boskma zich inmiddels van zijn wortels kan verwijderen bewijst 'Virginetten', een keurige reeks van zeven overpeinzingen bij een veertiende-eeuws beeldje van een Madonna met Kind. Het verleidt Boskma tot gedachten over religie en tijd, binnen- en buitenkant die niet eens zo veel verschillen van wat dichters als C.O. Jellema, T. van Deel en Wiel Kusters (alle drie indertijd door de Maximalen verguisd) met het gegeven van verminkte antieke beelden hebben gedaan. Een reeks als 'Triptiek' doet, ook vanwege de strakkere vormgeving, wel denken aan Komrij, of Ducal. Door de titelafdeling trekt af en toe de geest van Dèr Mouw, of Vlek. Er is een mooie reeks liefdesgedichten, waarin Boskma opeens bewijst ook zonder opzichtige effecten te kunnen dichten, zoals hij ook in zijn meer kosmische en grootsprakerige reeksen soms ineens stil kan vallen in een weemoedige droom zonder alliteraties.

Er zijn dus meer Boskma's dan die ene die we al kenden. En er zijn dus meer grote namen waarmee zijn werk in verband gebracht kan worden dan die van Marsman, Roland Holst en Lucebert, in wier voetsporen de Maximalen indertijd zo graag hadden willen treden. Hiermee is iets gezegd over Boskma's veelzijdigheid, maar voor het noemen van grote namen is het nog steeds te vroeg. Daarvoor vind ik zijn poëzie eenvoudig niet goed genoeg: te vaak te hol, te pathetisch, te slordig, te veel vertrouwend op de werking van nietszeggende woorden als virtuoos en euforisch en te gemakkelijk vluchtend in cliché-paradoxen: 'En oorverdovend zwijgt de nacht, virtuoos / van euforie'.

Wat zijn poëzie desondanks sympathiek maakt is het elan en de wil onze nieuwe Holst of Gorter te zijn. Er mag van alles mankeren aan het lange gedicht waarmee de bundel besluit, maar het zingt wel, en het stroomt, en het bewaart met zijn korte meanderende regels een mooi midden tussen lyrische bevlogenheid en de prozaïsche voortgang van een vertelling. Het is een wonderlijk geval, dit 'Altijd weer dit leven', vol visioenen en dromen waarin de overleden Paul van der Steen zich tot acht keer toe bij de dichter komt melden, alvorens definitief te vervluchtigen. Het is een heel gedoe met gedaanteverwisselingen, drank, de gang der seizoenen, negenjarige meisjes en religie, maar het loopt wel uit op een louterend inzicht: aanvaarding van 'altijd weer dit leven', van 'leven zonder doel of handeling'. Waarna de dichter zich Gorteriaans uitzingt in 'lentelichtdromen', 'bloemgloede kleuren', 'O zingen in de dingen'. En zo wordt de taal 'een lichtje in het licht'.

Een nieuwe Gorter is Boskma nog niet, maar binnen zijn oeuvre is deze nieuwe lente wel degelijk een nieuw geluid.