Multicultureel triviant spelen

W.F. Hermans herinnert zich hoe hij als student college liep bij de logicus en filosoof Evert Beth aan het eind van de jaren veertig: 'Beth, een aardige, ietwat wereldvreemde, zeer astmatische man die als groot filosoof te boek stond, maar vooral een wiskundige achtergrond had, maakte met de symbolische logica korte metten. In hoog tempo schreef hij een reeks formules op het bord, zonder veel nadere toelichting. Symbolische logica, leek het, was voor zijn gevoel sommetjes maken.' Toen ik tien jaar later hetzelfde college liep, bleek de opvatting van Beth over de manier waarop men zich de moderne logica eigen moet maken niet veranderd. Ook de vragen die Beth gesteld werden ten tijde van Hermans waren in mijn tijd nog dezelfde. 'Met noodlottige regelmaat werd aan Beth de vraag gesteld, waarom een implicatie van de soort 'Als de Eiffeltoren in Dordrecht staat, dan is Amsterdam de hoofdstad van Nederland', een ware volzin was, want dat leek toch strijdig met de logica van alledag, omdat de Eiffeltoren nu eenmaal niet in Dordrecht werd aangetroffen. Beth keek dan enigszins beteuterd, vertelde hijgend het een en ander dat voor hem vanzelf sprak en schreef tenslotte maar weer formules op het bord.'

Het onbegrip van de studenten kan overigens niet geweten worden aan de didactische inzet van Beth, want de ervaring leert dat zo'n vraag als door Hermans vermeld, behoort tot de cultuurschok die kennismaking met de moderne logica bij iedere beginner te weeg brengt. Later ga je het vanzelfsprekend vinden en heb je in toenemende mate moeite om te begrijpen waarom anderen dat niet ook vinden. Dat moet ook gegolden hebben voor Hermans, die elders E.W. Beth trouwens met waardering noemt als 'wijlen mijn leermeester'.

Wel constateert Hermans bij diezelfde gelegenheid dat Beth net als veel andere technisch onderlegde filosofen 'schutterig werd wanneer zijn schrifturen in de buurt van het levensbeschouwelijke kwamen'. Daar valt nog wel het een en ander over te zeggen. Beth schreef in 1964 het artikel 'Het recht op de eigen mening', waarin hij zich niet zo zeer schutterig als wel terughoudend en sceptisch toont in het openbaarmaken van een eigen levensbeschouwing. In tegenstelling tot wat velen denken en aanbevelen, van Dooyeweerd tot Gunnar Myrdal, behoort het openbaar maken van je levensbeschouwing in wetenschappelijke en wijsgerige discussies juist niet tot de goede gewoonten, volgens Beth. En het is een zeer verkeerde gewoonte te proberen in dat soort discussies de levensbeschouwing van de deelnemers aan het debat te achterhalen of te eisen dat zij er mee voor de dag komen. De neiging daartoe is zeer persistent. Beth vermeldt dat, juist door zijn terughoudendheid in het kenbaar maken van zijn levensbeschouwing, zijn werk lovend besproken wordt in termen als 'niet gek voor een jood', 'bijzonder ruimdenkend voor een katholiek', 'zeer redelijk voor een humanist'. Die recensenten leken te weten wat de levensbeschouwing van Beth was en spraken er hun waardering voor uit dat het allemaal wel meeviel.

Beth vindt die waardering onthutsend en ongepast. Ik kan mij daar wel in vinden. Wat moet je ermee? Voor Beth ontstond het dilemma of hij nu wel of niet moest schrijven dat hij geen van die levensbeschouwingen aanhing en of hij alsnog met zijn eigen levensbeschouwing voor de draad moest komen. Maar de vraag die Beth in dit verband opwerpt is natuurlijk zeer relevant. Welk gewicht wil men toekennen aan de openbaarmaking van de levensbeschouwing in het debat? Beth ziet een levensbeschouwing als een kostbaar, met veel pijn en moeite verworven, persoonlijk bezit en elke bemoeienis en consideratie ermee als een schending van het privé-leven. Heeft het zin om te weten dat iemand boeddhist is voordat je besluit dat hij een goed idee heeft van de relevantie van de staartdeling? En is het bovendien niet een hemeltergend misverstand te denken dat boeddhisten allemaal hetzelfde denken over de staartdeling en dat wij dat tolereren? Laatst zag ik op de televisie een dominee, een rabbijn, een pastoor en een molla samen triviant spelen. De vier betrokken levensbeschouwingen speelden geen rol bij het oplossen van sommetjes of het herkennen van stemmen of het raden met welke letter PvdA begint. Maar waarom werden die vier levensbeschouwingen dan genoemd en getoond? Om geen andere reden dan te laten blijken hoe goed wij zijn, hoe verdraagzaam en multicultureel. Maar bij enige bepaling van de kwaliteit van de antwoorden legden die levensbeschouwingen geen gewicht in de schaal. De nadruk op onze zogenaamde multiculturele samenleving slaat nergens op, want in een ware multiculturele samenleving hoor je er niets van te merken. Staatssecretaris Nuis zegt in de Volkskrant: 'We zijn een multiculturele samenleving, maar je merkt er nog weinig van.' Ik zou zeggen dat het ons beschavingsideaal moet zijn dat zo te houden.

    • Jaap van Heerden