Koele kunst en artistiek nieuws; Informatief jaarboek over fotografie

Stilstaande beelden. Ondergang en opkomst van de fotografie. Kunst en Beleid in Nederland 7. Red. Hans van Dulken e.a. Uitg. Boekmanstudies/ Van Gennep, 232 blz. Prijs ƒ 49,50.

De uitvinding van de fotografie betekende, anders dan voorspeld, niet het einde van de schilderkunst. Ruim 150 jaar later zal de fotografie op haar beurt de komst van nieuwe media en digitale technieken overleven. Dat is althans de verwachting van de redactie van het zevende jaarboek van de Boekmanstichting, getuige de titel Stilstaande beelden. Ondergang en opkomst van de fotografie.

Het jaarboek bevat artikelen over verschillende aspecten van de fotografie, zoals de groei van museale fotoverzamelingen in Nederland (Mattie Boom), de geringe professionalisering onder fotografen (Bart Hofstede), foto-auteursrecht (Ronald Vecht), de digitalisering van de fotografie (Warna Oosterbaan Martinius) en de portretfotograaf (een mooi persoonlijk verhaal van Philip Mechanicus).

Eddie Marsman beschrijft de voorgeschiedenis van het Nederlands Foto Instituut NFI, dat na twintig jaar touwtrekken voorjaar 1994 in Rotterdam zijn deuren opende. Er is weinig reden voor triomf. Terwijl het NFI werd opgericht, gingen bestaande instellingen voor de fotografie zoals het Canon Image Center in Amsterdam en Perspektief in Rotterdam tenonder. Het gelijknamige tijdschrift, Perspektief magazine, verschijnt sindsdien zeer onregelmatig.

Bas Vroege, voorheen leider van Perspektief, vreest een monocultuur. Hij noemt het NFI een 'fotografeninstituut: alles en iedereen zal er aan zijn trekken komen, en dat is nu juist de verkeerde representativiteit.' Het fotoinstituut moet kiezen voor de belangrijkste ontwikkelingen, aldus Vroege. De relatie met ander kunstdisciplines moet daarbij prioriteit krijgen.

In dit jaarboek komt vooral de relatie tussen fotografie en beeldende kunst vaak ter sprake. Globaal kan men de fotografie in twee categorieën onderverdelen, de gebruiks- respectievelijk opdrachtfotografie en de kunstfotografie. In de praktijk is dit onderscheid echter veel minder duidelijk. Paul Mertz noemt in een wat oubollig geschreven bijdrage de discussie over de kloof tussen vrije fotografie en reclamefotografie academisch. Ook al moet de reclamefotograaf zich schikken naar het 'concept' van de art director, dat wil niet zeggen dat het resultaat geen museale kwaliteit zou kunnen hebben.

Televisie

De manier waarop we een foto bekijken wordt in belangrijke mate bepaald door de context. In een museum ligt het accent op de beeldende kwaliteiten van een foto, in een krant gaat het om de nieuwswaarde. Maar deze tegenstelling is tegenwoordig veel minder zwart-wit, constateert Arjen Ribbens, die tot voor kort fotoredacteur was van NRC Handelsblad. De fotojournalist maakt soms kunstzinnige foto's, terwijl sommige kunstenaars tegenwoordig de werkelijkheid juist koel en objectief registreren.

In een interessant artikel beschrijft Ribbens de oorzaken van deze verandering. Door de komst van de televisie, die het nieuws veel sneller brengt, hebben kranten minder behoefte aan het obligate plaatje van handenschuddende regeringsleiders. In de concurrentieslag, niet alleen met de televisie maar ook tussen de dagbladen onderling, speelt de kwaliteit van de foto's een niet onbelangrijke rol. Als er een bijzondere (kleuren)foto op de voorpagina staat, verkoopt de krant beter.

De uitwerking van de in de (onder)titel verborgen stelling is vooral te vinden in het artikel van Frits Gierstberg over de relatie tussen documentaire fotografie, beeldende kunst en maatschappelijk engagement. Digitale technieken bieden nieuwe mogelijkheden om het fotografisch beeld te manipuleren, zelfs negatieven zijn daarbij niet meer noodzakelijk. De sterke band die traditioneel bestaat tussen fotografie en werkelijkheid is daardoor losser geworden. Bij een zinvolle interpretatie van de boodschap van een foto is het hoe (de vorm of stijl) volgens Gierstberg even belangrijk geworden als het wat.

Kortom, de fotografie ontwikkelt zich, naar analogie van de schilderkunst, van een afbeeldend in een beeldend middel, constateert Bianca Stigter in de inleiding. Deze conclusie is iets te snel getrokken: ook vroeger werden foto's geretoucheerd, brachten fotografen hun visie op de werkelijkheid in beeld en experimenteerden zij (ook zonder negatief!) met de beeldende mogelijkheden van het medium.

Niet alle bijdragen aan deze bundel zijn even actueel. Warna Oosterbaan Martinius poetste voor deze gelegenheid een verhaal over amateurfotografie op dat al in 1978 verscheen in de catalogus Fotografie in Nederland 1940-1975. De bijdrage van Flip Bool, geschreven in 1992-93, is enigszins achterhaald. Hij heeft zijn onderzoek naar de Illegale fotografie 1940-45 inmiddels afgerond en gepubliceerd in een boek.

Stilstaande beelden is nogal slordig geredigeerd: (hoofd)letters ontbreken, een tijdschrift 'lijdt' een wankel bestaan, en het NFI wordt door een auteur consequent het Nederlands Instituut voor Fotografie genoemd. De lezer krijgt wel veel informatie en het boek is mooi geïllustreerd met foto's van bekende Nederlandse fotografen.

DIN PIETERS