In Grozny wordt weer volop koffie geschonken

GROZNY, 21 JULI. Café Luna is wellicht het beste bewijs dat na zes maanden oorlog het leven in de Tsjetsjeense hoofdstad Grozny weer op gang komt. Sinds de heropening vorige maand melden zich bijna dagelijks groepen afpersers om 'beschermingsgeld' te eisen. “Het is nog erger dan vroeger”, zegt café-eigenaar Isa Idrizov.

Café Luna is een allegaartje van stoelen en tafels in een voormalig appartement, dat door een wonder en wellicht door het feit dat het tijdelijk werd bewoond door hoge Russische officieren, tijdens de oorlog gespaard is gebleven. Maar er wordt koffie geschonken en op het menu staan tomatensla en een Kaukasische variant van gevuld deegwaar. Dat is beter dan de meeste inwoners van Grozny de eerste helft van dit jaar te eten hebben gekregen.

De Tsjetsjeense hoofdstad ondergaat een verandering nu sinds vier weken een staakt-het-vuren geldt en vredesbesprekingen zijn begonnen. Hoewel met het opknappen van gebouwen nog nauwelijks een begin is gemaakt, zijn verscheidene ruïnes wel al met bulldozers opgeruimd. De ondanks alles toch nog groen geworden bomen onttrekken de gehavende gevels aan het zicht. Op straathoeken zijn enkele kleine markten geopend. En er rijden weer auto's, inclusief modellen van duurdere Westerse merken.

Alleen 's avonds, nadat om negen uur de avondklok is ingegaan, is Grozny pikkedonker en doodstil. De stilte wordt nu en dan onderbroken door overvliegende helikopters en incidentele schotenwisselingen, waarvan de aanleiding doorgaans onduidelijk blijft. Russen en Tsjetsjenen beschuldigen elkaar van schendingen van het staakt-het-vuren, dat werd overeengekomen nadat vorige maand een bloedige Tsjetsjeense gijzelingsactie een schokeffect in Rusland teweegbracht.

Bij de normalisering van het dagelijkse leven hoort in Tsjetsjenië ook de terugkeer van de georganiseerde criminaliteit. Hoewel het voor het woord 'georganiseerde' nog aan de vroege kant is. Terreinen moeten opnieuw worden afgebakend nadat de bestaande verhoudingen tussen mafia-clans door de strijd tegen de Russen en de daarmee gepaard gaande vernieling van de stad zijn verstoord. “Ze zijn zelfs al met plattegronden langs geweest om te bewijzen dat ik voortaan onder hun gebied val”, vertelt Idrizov. “Ik weet gewoon niet wie ik moet betalen.”

Isa Idrizov is met zijn twintig jaar een van de jongste maar naar eigen zeggen tevens een van de bekendste ondernemers van Grozny. Zijn vader was een hoge officier bij de politie die bij een schietpartij om het leven kwam. Hij liet zijn zoon vier auto's en veertien appartementen na en in een van die appartementen is Idrizov in 1991 café Luna begonnen. De jongen heeft de afgelopen maanden niet aan het front doorgebracht maar veilig bij familieleden in de bergen. Hij ziet zichzelf als zakenman, niet als nationalist en over de toekomst van zijn republiek maakt hij zich weinig illusies. “Zolang de Russen blijven zal het vechten doorgaan. Zo gauw ze vertrekken beginnen de Tsjetsjenen weer onder elkaar.” Dat laatste is een verwijzing naar het onderlinge geweld van clans dat de Kaukasische republiek de afgelopen jaren heeft geteisterd.

De jonge Idrizov vertolkt hiermee wel ongeveer de meest genuanceerde opvatting die in twee dagen Grozny te vinden is. De overgebleven en terugkerende bewoners van de zwaar beschadigde stad zoeken de schuld voor de huidige ellende uitsluitend bij Moskou. Zij blijven onvoorwaardelijke onafhankelijkheid eisen en blijven, in het openbaar althans, de zich schuil houdende president Doedajev steunen. Ongeveer honderd vrouwen staan elke dag in de buurt van het gebouw van de OVSE, waar de onderhandelingen worden gevoerd, in de brandende zon te demonstreren met zijn portret. Hoewel moet worden gezegd dat zij minder 'Dzjochar, Dzjochar' scanderen dan 'Sjamil, Sjamil', de voornaam van de man die vorige maand de bloedige gijzelingsactie leidde.

'Gebouw van de OVSE' is overigens een ruime benaming. Het gaat om een normaal Tsjetsjeens huis van één verdieping iets buiten het centrum dat door de delegatie van de Europese veiligheidsorganisatie tijdelijk als hoofdkwartier is gehuurd. De kamer waarin de Russische en Tsjetsjeense onderhandelaars elkaar nu al wekenlang bijna dagelijks ontmoeten, meet ongeveer vier bij vier meter en de tafel waaraan wordt onderhandeld is te klein om iedereen te laten aanzitten. Arkadi Volski, vertrouweling van premier Tsjernomyrdin, heeft niet meer dan een krap plaatsje op de hoek, waar het houten tafelblad hem in de buik prikt. En Sjirvani Basajev, broer van Sjamil en zelf ook een van de toonaangevende Tsjetsjeense militaire commandanten, zit niet eens aan tafel maar op een stoel op de binnenplaats. Daarvandaan loopt hij af en toe naar binnen.

Behalve binnen wordt er ook buiten de OVSE-vestiging tussen Russen en Tsjetsjenen gepraat. Voor de deur hangen namelijk de hele dag de lijfwachten van beide delegaties rond, legertjes van elk zo'n vijftien man. Ze zijn bewapend met dezelfde typen Kalasjnikovs, dragen dezelfde soorten gevechtspakken en spreken dezelfde taal. Op de jongsten na zijn het ook collega's uit dezelfde strijdmacht, die van de voormalige Sovjet-Unie. Ze gebruiken het staakt-het-vuren om ervaringen uit te wisselen. Er worden zelfs plannen gesmeed voor een voetbalwedstrijd en de sfeer is ontspannen, om niet te zeggen verveeld. Er lopen ook nog twee jochies rond van een jaar of tien met Polaroid-camera's. Zij zetten de soldaten en voorbijgangers tegen betaling van 10.000 roebel (3,50 gulden) op de foto.

Een heel andere stemming hangt er in de buurt van het Minoetkaplein, aan de andere kant van het centrum. Van de orthodoxe kerk die daar het hart van de buurt vormde, is weinig meer over dan een paar rechtopstaande muren vol kogelgaten - net als van de buurt zelf. Maar achter de kerk, in een gedeeltelijk gespaard gebleven gebouwtje dat vroeger als opslagruimte diende, zijn drie priesters bezig een nieuwe gebedsruimte in te richten. De dienst vandaag wordt nog buiten gehouden. Een vijftigtal gelovigen, voor het merendeel oudere vrouwen en jonge soldaten, verdringt zich rond een priester in een goudkleurig gewaad dat, zo blijkt, pas vorige week uit het Zuidrussische Stavropol is aangevoerd.

Bij de ingang van het geïmproviseerde kerkje zit een vrouw, die door iedereen zuster Lena wordt genoemd, vanachter een tafel kaarsen en religieuze afbeeldingen te verkopen. Voor de oorlog was deze zuster nog gewoon Jelena Michailkova, een boekhoudster die naar eigen zeggen in haar 43-jarige loopbaan nog nooit één onzorgvuldigheid heeft laten passeren. Nu is er in Grozny weinig vraag naar administratief talent en werkt zij als vrijwilliger bij de kerk. Het is naar haar dat een met granaten behangen soldaat toekomt en met onverwachts zachte stem aarzelend zegt: “Ik heb kaarsen nodig.”

“Kaarsen? Dat kan”, antwoordt de verkoopster. “Ze zijn er van 500 roebel, 1.000 roebel en 2.000 roebel. Welke zullen het zijn?” “Weet ik niet”, zegt de jonge soldaat, een beetje hulpeloos om zich heen kijkend. “Het is voor Andrej. Hij is vanmorgen overleden. En ook voor de commandant. Die ligt nog in het ziekenhuis.” Naar hij vervolgens vertelt hebben leden van zijn eenheid de afgelopen nacht onderling ruzie gekregen. Daarbij is uiteindelijk naar de wapens gegrepen. Bij de schietpartij vielen één dode en zes gewonden. “Kunt u misschien iets voor hen doen?”

De verkoopster weet raad. “Schrijf hun namen op dit papier, ik zal voor hen bidden.” De soldaat leent een pen en begint te schrijven. Hij telt de namen. “Dima, we vergeten Dima”, vult zijn kameraad aan. Dima wordt er ook bij geschreven.

“En jullie eigen namen”, zegt de vrouw, als de militairen klaar zijn en het papier willen teruggeven, “schrijf jullie eigen namen ook op.” De twee jonge militairen kijken aarzelend op. “Wij zijn geen echte gelovigen”, bekent de eerste. “Schrijven jongen”, gebiedt zuster Lena Michailkova. “Ik zal voor je bidden als een moeder.” De soldaat blijkt Aleksandr te heten. Hij koopt uiteindelijk zeven kaarsen om te branden voor zijn kameraden en ook nog een kettinkje met een kruisje eraan. Zijn vriend helpt hem het om zijn hals te hangen.