Het recht op voortplanting bedreigt de aarde

De mens is bezig de kwaliteit van het leven op aarde drastisch te bederven. Maar van bezorgdheid daarover valt in de politiek weinig te bespeuren. Nodig is een internationaal geregisseerd krimp-scenario, vindt A.D. de Groot, waarin ook moeilijke morele kwesties niet ontweken worden.

Sinds 1972, toen de Club van Rome de alarmklok luidde met het rapport Grenzen aan de groei zijn de belangrijkste bedreigingen voor de 'leefbaarheid' van de aarde bekend: overconsumptie van moeilijk of niet terug te winnen grondstoffen, fossiele in het bijzonder; overproduktie van afval; overbevolking van de aarde. Het voorvoegsel 'over' betekent hier: niet meer te verwerken zonder ernstig en toenemend verlies van leefbaarheid van de aarde voor mensen.

Tot dusver hebben pogingen om deze bedreigingen te keren zich bijna geheel beperkt tot de bestrijding van het meest zichtbare en direct hinderlijke groeiprobleem, dat van de vervuiling. Er zijn wat successen geboekt, maar het probleem bleek enorm te zijn - waar nog bij komt dat bestrijding van vervuiling bij toenemende (over)bevolking en (over)consumptie alleen dweilen met de kraan open kan zijn.

Nog ernstiger is, dat de hoge consumptie van fossiele brandstoffen niet alleen potverteren is, maar ook - samen met andere factoren, bij voorbeeld ontbossing - blijvende, althans langdurige schade kan toebrengen aan het ruimere milieu, het systeem 'Gaia' (broeikaseffect; zuurstof-huishouding; de ozonlaag; klimaatveranderingen, zeespiegel - een paar trefwoorden volstaan). Van minderen van de energie-consumptie kan (nog) niet worden gesproken; en stoppen van de groei van de wereldbevolking is een nauwelijks aanraakbaar, heet hangijzer gebleven.

Kortom, gezien de ontwikkelingen in de laatste decennia lijkt het totale probleem van de achteruitgang van de leefbaarheid onoplosbaar. Het nieuws is slecht. Vandaar dat de boodschappers soms worden aangevallen (“doemdenkers”), de oplossingsvoorstellen worden overschat (“nieuwe technologie”), of het probleem, ver van ons bed immers, wordt verdrongen of vooruitgeschoven. In de internationale politieke besluitvorming is van bezorgdheid over de toekomst van de aarde weinig te merken.

Maar waarom is dit een moreel probleem, een gewetensprobleem? De eerste reden om het zo te zien is, dat de rijke, ontwikkelde, merendeels westelijke landen in feite al meer dan een eeuw lang bezig zijn een kolossale schuld op zich te laden. In tegenstelling tot de bekende schuldvragen van onderdrukking, uitbuiting en kolonialisme gaat het nu niet om schuld tegenover mensen die geleefd hebben of nog leven, maar om schuld tegenover mensen van komende generaties. Wij zijn bezig de kwaliteit van het menselijk bestaan op aarde in de eenentwintigste eeuw, zeg anno 2050, drastisch te bederven.

Opmerkelijk is dat de 'bedoelingen' van de activiteiten die, als nevenprodukt, die drie grote bedreigingen hebben veroorzaakt, grotendeels 'goed' waren. Dat wil zeggen: in overeenstemming niet alleen met de heersende christelijke en humanistische ethiek en politieke gedragscodes, maar vooral ook met de ideeën over 'wereldverbetering' die in het Westen werden gehuldigd - en nog worden gehuldigd. Dit excuus geldt nu echter niet meer; het naïeve geloof in “alle landen even hoog ontwikkeld als het Westen” is al lang voorbij.

Hiermee is meteen de tweede reden aangeduid waarom de huidige impasse een moreel probleem is. De westerse ideeën over wereldverbetering, hoewel nog steeds gepropageerd en toegepast, zijn al weerlegd door de feiten. Gebleken is dat de verbijsterende technologie-ontwikkeling, de steile welvaartsgroei en de verblindende culturele rijkdom van het Westen het gevolg was van een recept dat te veel gif bevatte om wereldwijd te kunnen werken. Uit het falen van de theorie volgt dat de principes en de normen waarop zij berust niet deugen, zeker niet in het licht van de toekomst. Die principes en normen, inclusief morele, zullen grondig moeten worden herzien; maar welke, en hoe dan?

Dit geldt, zoals bekend, allereerst voor de leuzen - heilige koeien - van de 'economische groei': internationale expansie; felle concurrentie en vrije wereldhandel; agressief ondernemerschap, met voortdurende technologische innovatie, nieuwe produkten, meer consumptie en hectische commercialisering - ondersteund door een absurd geworden reclame-intensiteit. Alleen al de energierekening van alle transport- en mechanisatiekosten - met vervuiling - die de in deze termen aangeprezen activiteiten teweegbrengen, weegt zwaar op de debet-zijde. Maar er is meer.

Willen wij nog iets redden van de leefbaarheid van de aarde voor onze nazaten, dan zullen daar harde en impopulaire maatregelen voor nodig zijn. Krimpen doet pijn. Alleen bij het onderdeel afvalverwerking valt die pijn vermoedelijk mee. Burgers lijken te kunnen leren wat meer moeite te doen bij het scheiden van huisvuil, bij voorbeeld. Dat geeft satisfactie; de leuze 'goed voor het milieu' werkt. Maar zij sust ook het geweten alsof dit voldoende zou zijn.

Substantiële vermindering van energieverbruik, daarentegen, kan niet met zachte hand worden bereikt - althans niet in onze verwende, westerse democratiën, waarin de besluitvorming overwegend berust op afweging van korte-termijnbelangen. Pressiegroepen, partijen, sociale partners, ministers, landsregeringen ook, sluiten op die basis compromissen. Dat het zo tot vrijwillige mindering kan komen - “terwijl er nog zo veel (op te souperen) olie en gas in de grond zit” - is uiterst onwaarschijnlijk.

Voor de burger betekent energie-verbruik (“recht op”) modern comfort, inclusief vliegreisjes en andere luxe. Daarin zal aanzienlijk moeten worden gekort, het zij door verbodsbepalingen, het zij door zware energiebelasting. Dat heeft dan ook weer consequenties voor bedrijven die luxe-artikelen produceren of verkopen: waarschijnlijk failissementen en zeker meer werkloosheid. Maar ook de zware industrie en het transportwezen zullen veren moeten laten. Enzovoorts.

Dit alles is alleen denkbaar in het kader van een internationaal geregiseerde krimp-operatie: georganiseerde koopkrachtdaling dus voor de burger. Zulke harde maatregelen kunnen in een democratie alleen door sterke regeringen genomen worden, die - en dat is het hoofdpunt - aan hun burgers overtuigend een nieuwe moraal zullen moeten uitleggen; een moraal waarin de zorg voor toekomstige generaties een plaats heeft.

Zal dit de in democratieën bestaande inspraakmogelijkheden, rechten en voorrechten van individuele burgers aantasten? Dat kan nauwelijks anders. De huidige beginselen en opvattingen van democratie zullen op zijn minst heroverwogen en gemodificeerd moeten worden.

Dit geldt ook voor de Rechten van de Mens. Afgezien van andere zwakheden, zoals hun wankele metafysische basis (“natuurrecht”), hun niet-afdwingbaarheid en hun westerse signatuur - afkomstig uit de luxe-moraal van ontwikkelde democratieën, die de Chinezen bij voorbeeld niet aanvaarden - schieten zij tekort door hun eenzijdigheid: alleen bescherming van het individu tegen zijn overheid. Noch de zorg voor latere generaties, noch de mogelijkheden van overheden om in bepaalde omschreven situaties de rechten van burgers te beperken worden erin aangeroerd.

Nog moeilijker te realiseren lijkt het minderen van de (over)bevolking van de aarde te zijn. Niet alleen valt er niet te werken met leiders van godsdiensten en van volkeren die, op grond van voor waar gehouden leerstellingen, respectievelijk van nationalistische sterkte-overwegingen, streven naar zo veel mogelijk aanhangers voor de strijd. Een algemeen obstakel, is dat er de facto nog steeds een, nergens vermeld, universeel 'recht' op ongeremde voortplanning lijkt te bestaan.

Deze laatste overweging geeft echter ook een aanknopingspunt: codificeer dit recht - neem het op in de Rechten van de Mens - zodat onderhandeld kan worden over beperkingen, door regeringen, van dit recht. Zulke beperkingen kunnen alleen gaan over uitsluiting van bepaalde categorieën mensen - een uiterst dubieus idee, maar leeftijdsgrenzen zouden misschien (moreel!) aanvaardbaar kunnen zijn - of over het aantal kinderen per vrouw: de Chinese oplossing.

Afgezien van bezwaren tegen de uitvoering, moet erkend worden dat zulke beperkingen van het dubieus geworden 'natuurrecht' op vrije voortplanting tot de weinige middelen behoren waarmee de fatale groei van de wereldbevolking - die op tal van plaatsen al een noodtoestand mag heten - wellicht kan worden gestopt.

Daarbij moet ook worden overwogen, dat alle mogelijke rampen ten gevolge van de andere bedreigingen, meer dan evenredig in ernst zullen toenemen als de wereldbevolking blijft groeien zoals wordt verwacht; om nog maar te zwijgen van andere effecten, zoals 'gewone' hongersnoden, toenemende criminaliteit en stammenoorlogen. Vervuiling van Gaia wordt bevorderd door overbevolking. Dat geldt ook voor economische groei, mondiaal opgevat als meer produktie en meer consumptie, met de genoemde gevolgen van energie-verbruik.

Hoe dit hele complex van toekomstbedreigingen in concreto moet worden gekeerd of althans verminderd - indien mogelijk - weet niemand nog. Het besef dat het gaat om een gewetensprobleem, dat een andere moraal nodig maakt, kan echter misschien helpen de internationale aandacht ervoor te versterken en het zoeken en vinden van oplossingen te bevorderen.

Ten slotte enkele stellingen: 1. Het toekomstprobleem van de bedreigde kwaliteit van het leven voor latere generaties behoort op alle vergaderingen van de Verenigde Naties en van alle landsbesturen een vast agendapunt te zijn, dat met prioriteit wordt behandeld en tot maatregelen leidt. 2. De eerst nodige maatregel is dat één of meer internationale 'denktanks' aan het werk worden gezet, niet om korte-termijncompromissen te sluiten maar om lange-termijnsstrategieën te ontwerpen; onder meer voor het opzetten van een vernieuwd handvest voor de Rechten van de Mens, met hun mogelijke beperkingen. 3. Speciale aandacht verdient daarbij het onderwerp 'recht op voortplanting' en mogelijke beperkingen daarvan.