Het aanzien van de macht; De Farneses en hun kunst in München

Toen Alessandro Farnese in 1534 tot paus werd gekozen, dacht men met een tussenfiguur te maken te hebben. Maar hij werd de machtigste potentaat van Rome en maakte van zijn onbeduidende familie een roemrijk geslacht dat, zoals het hoorde, veel kunst verzamelde en paleizen liet bouwen. Een groot deel van hun verzameling, waaronder schilderijen van Rafael en Titiaan, is nu te zien in München. Hoe was de smaak der Farneses?

Der Glanz der Farnese. Kunst und Sammelleidenschaft in der Renaissance. Haus der Kunst in München. T/m 27 aug. Catalogus DM 70. Van 30 sept. tot 17 dec. in de Galleria Nazionale di Capodimonte te Napels.

Vijf maal is paus Paulus III met een portret vertegenwoordigd. Eenmaal in wit marmer en vier maal op een schilderij: als jonge kardinaal door Rafael en maar liefst driemaal door de grootste schilder van zijn tijd: Titiaan. De portretten zijn nu opgesteld in het Haus der Kunst te München op de grote tentoonstelling Der Glanz der Farnese. Kunst und Sammelleidenschaft in der Renaissance. Dat Paulus III, die voor zijn benoeming tot paus in 1547 als Alessandro Farnese door het leven ging, zo vaak geportretteerd is, is geen toeval. Bij hem neemt de razendsnelle klim van de familie, zowel op wereldlijk als op geestelijk terrein, verbijsterende vormen aan. En hoewel de portretten door Titiaan een vale, ietwat versleten indruk maken, een van de drie nooit is voltooid en de rode achtergrond waartegen de schilderijen hangen het coloriet eerder zwakker dan krachtiger maakt, zijn dit toch drie indrukwekkende psychologische portretten. Titiaan heeft een karakter vastgelegd dat maar met een woord omschreven kan worden: berekenend. Hier zit een oudere man, gepokt en gemazeld in het politieke machtsspel tussen de Europese vorsten, en bereid tot alle mogelijke machinaties ter meerdere eer en glorie van het huis Farnese.

Paulus III (1468-1549) stamde uit een geslacht van condottiere, prelaten en grootgrondbezitters die hooguit van regionaal belang waren geweest. Hij werd al op jonge leeftijd kardinaal en toen in 1534 paus Clemens VII stierf, kozen de rivaliserende partijen de 66 jaar oude Alessandro Farnese als opvolger. Een tussenpaus, zo dacht men, een man die op zo'n hoge leeftijd voor geen der partijen een gevaar kon betekenen. Maar het liep anders. Niet alleen zou Paulus III de langst zittende paus van de zestiende eeuw worden (ruim vijftien jaar), hij ontpopte zich al snel tot de machtigste potentaat die Rome in lange tijd gezien had. Nepotisme was niet meer dan een normaal systeem om zijn macht en invloed te vergroten en door zijn gewiekste huwelijkspolitiek wist hij de belangrijkste geslachten aan zich te binden. Twee zonen liet hij op puberleeftijd al tot kardinaal benoemen, een ander verhief hij tot hertog van Parma en Piacenza. Een kleinzoon trouwde met Margaratha van Oostenrijk, een dochter van Karel V, en een ander huwde de dochter van de Franse koning.

Zo rees de ster der Farneses. Maar om te schitteren was het niet alleen nodig werkelijke macht te bezitten: men moest die macht ook laten zien. Dat deden dekoningen van Frankrijk en Spanje, dat deden de Oostenrijkse Habsburgers, en dichter bij huis de oudere geslachten van de Italiaanse stadsstaten: de Medici te Florence, de Gonzaga's in Mantua, de Visconti's in Milaan, de Montefeltres in Urbino en de familie d'Este in Ferrara. Vergeleken met hen waren de Farneses nouveaux riches. Al deze geslachten, maar ook de oudere patriciërsfamilies in de steden, wisten hun macht zichtbaar te maken. Ze hadden paleizen en villa's laten bouwen en weergaloze tuinen aangelegd. Ze hadden kunstenaars in dienst genomen en omvangrijke kunstcollecties opgebouwd. En het is dan ook op dit gebied waar de Farneses met een reusachtige inhaalmanoeuvre wilden laten zien dat ze van een vergelijkbare rang waren. Kunst moest de macht legitimeren. Paulus III wist dat heel goed en onder zijn bewind werd dan ook begonnen met aankoop en bouw (onder andere door Vignola en Michelangelo) van paleizen en villa's en met de aanleg van een van de grootste verzamelingen uit de Renaissance, een verzameling waar de tentoonstelling in München slechts een fractie van kan laten zien.

Het woord 'verzameling' is in dit verband enigszins misleidend. De coolectie die de Farneses gedurende twee eeuwen bijeen hebben gebracht was voortdurend in beweging: de verzameling groeide door aankopen, schenkingen, erfenissen en confiscaties, er werd weer weggegeven en er werd van het ene paleis naar het andere verhuisd. In de achttiende eeuw was de collectie verspreid over paleizen en villa's te Rome, Parma en Napels.

In 1731 stierf de laatste mannelijke Farnese zonder kinderen na te laten. Erfgenaam werden de Spaanse Bourbons, die de Farnese-paleizen met inhoud en al in handen kregen, zodat de kostbaarheden uit Parma en Rome werden gedirigeerd naar Napels, de hoofdstad van het Koninkrijk der Beide Siciliën. Een groot deel belandde in het koninklijk paleis alwaar zo'n 3000 schilderijen jarenlang in vochtige ruimtes bleven opgeslagen. Aan het eind van de achttiende eeuw werd een selectie daar openbaar toegankelijk opgesteld. Toch had de collectie geen rust. De Bourbons schonken of verkochten voorwerpen en in 1870 bij de eenwording van Italië werden er schilderijen naar Rome gehaald om daar allerlei ministeries en overheidskantoren op te fleuren. Sedert 1957 hangen de belangijkste overgebleven schilderijen uit de Farnesecollectie in het Capodimonte Museum in Napels. Na Parma en München zal dit Museum dan ook het eindstation van deze tentoonstelling worden.

Vers uit de grond

Het eerste terrein waarop de verzamelactiviteiten der Farneses zich richtte was de antieke sculptuur. Dat was geen toeval. Juist in de periode van het pausschap van Paulus III werden er belangrijke vondsten gedaan: op het Forum Romanum en in de Thermen van Caracalla. De sculpturen konden letterlijk vers uit de grond naar het paleis der Farneses worden vervoerd. Het was niet alleen de schoonheid en de ouderdom die de waarde uit maakte, het was ook een historische continuïteit die men hiermee wilde laten uitkomen. Reeksen standbeelden en borstbeelden van Romeinse keizers en consuls moesten elke beschouwer er van doordringen dat de Farneses in de eerbiedwaardige traditie stonden van het klassieke Rome. Enkele wereldberoemde beelden behoorden tot het bezit der Farneses, waaronder de Hercules Farnese, een naakte krachtsporter in marmer, een beeld dat generaties kunstenaars geïnspireerd heeft. Helaas ontbreekt dit beeld op de tentoonstelling.

Dezelfde achtergrond had de obsessie met munten en penningen. Men streefde ernaar in muntvorm complete series van Griekse en Romeinse koningen en consuls samen te stellen (in goud, zilver en brons) en de lijn nog voort te zetten met merovingische en frankische koningen, zodat er een lange portretgalerij in muntvorm ontstond. Voor de muntencollectie liet Alessandro, kleinzoon van Paulus III, een reusachtig kabinet ontwerpen: een uit notenhout opgetrokken kast met de façade van een paleis. Het bevatte tientallen lades en laatjes waarin weer horizontale houten plankjes met uitsparingen waarin vier tot vijfduizend munten konden worden opgeborgen en bovendien edelstenen, gesneden stenen en kostbare manuscripten. De kast is bewaard in het Musée de la Renaissance in Ecouen en onbreekt opvallend op deze tentoonstelling.

Mensen als Paulus III en zijn kleinzonen Ranuccio en Alessandro Farnese (beiden kardinaal) verzamelden niet zelf. Zij wisten dat het bevorderen van de kunsten en het verzamelen ervan een nobele bezigheid werd geacht die hun macht een glorieus aanzien verschafte. Maar het eigenlijke werk, het onderhouden van de contacten met kunsthandelaren en kunstenaars, het nauwlettend volgen van opgravingen, lieten ze over aan adviseurs. Voor de Farneses in de tweede helft van de zestiende eeuw was dat Fulvio Ursini, een geleerde op het gebied van de numismatiek, de archeologie en de schilderkunst. Hij diende de Farneses als bibliothecaris, kunstagent en conservator en mocht dan ook in het Palazzo Farnese in Rome wonen.

Naast antieke sculpturen en munten en penningen vormden de schilderijen een derde belangrijke verzamelcategorie. Ook hier speelde het aanzien van de macht een doorslaggevende rol. Niet alleen door de verwerving van belangrijke meesters, maar ook door de keuze van levende kunstenaars die aan het hof verbonden konden worden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Paulus III alle moeite deed om Titiaan aan zich te binden. Titiaan, de enige schilder door wie Karel V zich wilde laten portretteren. Maar het was bekend dat de schilder zich aan niemand wilde binden, hij kreeg vererende opdrachten genoeg. Paulus III speelde daarom een listig spel met de schilder. Toen zijn kleinzoon Ranuccio in Padua studeerde liet hij Titiaan vragen of hij hem wilde portretteren en stelde hem een abdij in het vooruitzicht dat grensde aan het land van Titiaans zoon. Titiaan stemde toe en schilderde in 1542 een van zijn mooiste portretten: de jonge veertienjarige Ranuccio in het donkere kostuum van een Maltezer ridder. De waardigheid van dat kostuum contrasteert ontroerend met het kinderlijke verlegen gelaat. Na deze opdracht volgden er meer en telkens werd Titiaan die abdij voorgehouden als een worst voor de neus van een hond. De schilder kreeg voor zijn zoon wel een baantje als pastoor, maar die beloofde abdij heeft hij nooit gekregen. Heeft Titiaan vermoed dat hij aan het lijntje werd gehouden? Zijn portretten van Paulus III doen dat wel denken. Ze tonen een geslepen begerige potentaat, die met zijn kromme rug en knokige vingers wantrouwend de wereld beziet. Niet direct iemand op wiens woord je aankunt.

Verstand

In totaal moeten in de huizen der Farneses zo'n duizend schilderijen hebben gehangen. Maar hoe was de smaak der Farneses? De essays in de catalogus zijn daar niet onverdeeld gunstig over. De auteurs maken in de eerste plaats duidelijk hoe sterk de voorkeur van de adviseurs, vooral die van Orsini, een stempel op de collecties heeft gedrukt. De Farneses werden door pronkzucht geleid en verschaften het geld, maar de keuzes lieten ze in hoge mate over aan anderen. Ten tweede wordt zelfs in twijfel getrokken of ze wel verstand van kunst hadden. Dat geldt zelfs voor de grootste verzamelaar van de familie, kardinaal Alessandro. Daarbij wordt een citaat aangehaald van Michelangelo, genoteerd door de schilder Francisco de Hollanda: 'O cardeal Farnes, qua na sabe que cousa è pintura' (Kardinaal Farnese die helemaal niet weet wat schilderkunst is).

Ook is het goed te bedenken dat de Farneses de hand wisten te leggen op al bestaande collecties. De keuzes waren dan al gemaakt. Dat kon legitiem gebeuren door aankoop, maar ook rauwer door confiscaties. In 1611 ontdekte hertog Ranuccio I in Parma een tegen hem gericht complot van vooraanstaande edelen van de stad. Zijn wraak was gruwelijk. Hij liet de kopstukken terechtstellen op het marktplein en confisqueerde hun bezittingen waaronder vele kunstcollecties.

Op het gebied van de antieke sculpturen is Paulus III zeker energiek en vernieuwend bezig geweest. Op het terrein van de schilderkunst ligt dat anders. Zeker, hij heeft zich met succes ingespannen om Titiaan voor de familie te laten werken, maar daarbij speelde hij op veilig. Op de tentoonstelling hangen acht Titiaans, behalve de portretten van Paulus III, van Ranuccio en van diens broer Alessandro, nog het portret van een jonge vrouw, een Danae en een boetvaardige Magdalena. De Farneses liepen zeker niet voorop bij het aankopen van nieuw talent. Alessandro Farnese gaf veel tweederangs schilders opdrachten. Romeinse kunstenaars hadden de voorkeur. De Venetianen, behalve Titiaan, schijnen nauwelijks opdrachten te hebben gekregen. Zo vindt men van Veronese en Tintoretto geen spoor. De grote vernieuwer van omstreeks 1600, Caravaggio, werd evenmin aangekocht.

De roerende kunstgoederen der Farneses hebben veel gezworven, tot in deze eeuw aan toe. De laatste jaren heeft men met oude inventarissen en incidentele observaties van bezoekers in grote lijnen de ontwikkeling van de verzamelingen in Rome, Parma en Napels kunnen reconstrueren. Aan de hand van die reconstructies is deze tentoonstelling samengesteld. Behalve 130 schilderijen, 17 antieke beelden, een uitgelezen selectie Milanese harnassen en helmen, zijn er munten en penningen, voorbeelden van toegepaste kunst, 20 tekeningen (onder andere van Rafael en Parmigianino) opgesteld en valt er enig majolica te bewonderen.

De meeste nadruk krijgen de schilderijen en dan in de eerste plaats de portretten van familieleden, vrienden en adviseurs. Daaronder zijn de al genoemde portretten van Titiaan, maar ook een paar mooie van Parmigianino en om de genealogische reeks compleet te maken nog een paar bleke wezenloze koppen van Farneses uit de achttiende eeuw. Enkele familieleden zijn op verschillende leeftijden geportretteerd. Zo kan men niet alleen Paulus III op zijn levenspad volgen en vaststellen hoe hij een steeds knokiger aanzien kreeg, ook van zijn kleinzonen Alessandro en Ranuccio en een achterkleinzoon, Alessandro, de veroveraar van Antwerpen in 1585, is te volgen hoe ze zich ontwikkelden van parmantige, wat schuwe knaapjes, tot resolute heersers. Andere Italianen die vertegenwoordigd zijn met vooral bijbelse en mythologische voorstellingen zijn Rafael, Lotto, Sebastiano del Piombo, Pontormo en de schilderes Sofonisba Anguissola. Er is een hoekje Vlaamse school waar De misantroop van Pieter Breughel opvalt. Enkele merkwaardigheden geven even lucht tussen de toch wel erg serieuze, belerende kunst. Op een schilderij van Agostino Carracci zijn drie personen bijeengebracht die tot de hofhouding van kardinaal Odoardo Farnese behoorden: de nar Pietro, de dwerg Rodomonte en een compleet behaarde man die als rariteit uit de Canarische eilanden was meegenomen.

De samenstellers van Der Glanz der Farnese moeten hebben gedacht dat de kunst voor zichzelf spreekt of dat de bezoeker op zijn rondgang de catalogus zou lezen. Informatie over de keuze ontbreekt. In de hal van het museum, voor men een kaartje koopt, is een inleidend tekstbord en een foto van het Palazzo Farnese in Rome gehangen en aan het begin van de expositie zelf hangt nog een mager stamboompje. Verder krijgt slechts een klein deel van de schilderijen iets meer dan de meest summiere informatie. Op zijn minst zou men toch een inleiding op het geslacht Farnese verwachten, een kaart waarop men hun grondgebied ziet, prenten, schilderijen of foto's van de paleizen en villa's waar al die kunst gehangen heeft of een achttiende-eeuwse catalogus met gravures van de beelden en schilderijen. Over de manier van opstellen, de ordening wordt de bezoeker al helemaal niet wijzer. Onbegrijpelijk en ook gemakzuchtig. Wat overblijft is een grote selectie zestiende- en zeventiende-eeuwse schilderkunst, een galerij van koel uitgelichte Romeinse standbeelden, een zaal met glinsterende harnassen en wapens, een donkere verdieping met tekeningen en een groot aantal munten en penningen. Het is op die laatste afdeling dat men nog een glimp van de omvangrijke bouwactiviteiten der Farneses kan zien. Op enkele penningen staat architectuur afgebeeld die door de Farneses is gebouwd: het Palazzo Farnese in Rome, de Villa Farnese in Caprarola en de Gesu, de eerste kerk voor de jezuïeten in Rome. Maar alleen de zeer fantasievollen zullen zich de 300 geëxposeerde schilderijen en objecten kunnen voorstellen in de gebouwen op die penningen van vijf centimeter doorsnee.

    • Roelof van Gelder