Elk halfuur stopte iemand met snikken

GYÖR, 21 JULI. Sinds hun helletocht van twintig uur in een oven-op-wielen zijn Chaminda Prera en Sasthi Kumar boezemvrienden. Ja, ze zaten in het compartiment van de vrachtauto waar de doden vielen: negen Tamils en negen Singalezen van 16 tot 50 jaar, op weg van Sri Lanka naar het rijkere halfrond. “Ieder half uur hield er wel iemand op met snikken of jammeren”, vertellen de twee met hun ogen op oneindig.

Prera is Singalees en katholiek, Kumar is Tamil en hindoe, maar dat staat hun vriendschap niet in de weg. Ze zijn allebei 26 jaar en zitten op dezelfde brits in het detentiecentrum van de Hongaarse grenswacht in het stadje Györ, wachtend op hun deportatie naar het land van herkomst. Roemenië om te beginnen. En daarna? Terug naar Sri Lanka misschien. In het metalen beddeframe staan letters gekrast: AFGAN en VIETNAM.

Begin dit jaar waren ze ieder apart gevlucht voor de oorlog in Sri Lanka. De haat tussen de Tamils, die hun eigen staatje hebben uitgeroepen op een schiereiland van Jaffna, en de meerderheid van Singalezen met hun regering in Colombo is een probleem dat er niet meer toe doet als je na maandenlange omzwervingen halfdood bijkomt tussen de lijken in een aanhangwagen, meer dan tienduizend kilometer van huis en op een steenworp van het Westen.

“Germany, Germany”, had de Bulgaarse chauffeur vorige week donderdag geroepen. Na een rit van een etmaal opende hij op een desolate parkeerplaats de deuren van de laadbak. “Go now.” Tussen zijn officiële vracht (plastic emmers voor Frankrijk) moet hij de levenloze lichamen hebben gezien van zijn officieuze vracht (39 vluchtelingen voor Duitsland). Hij gooide een Pepsi-fles met water naar binnen en liep weg, zijn IFA-truck van Oostduitse makelij onbeheerd achterlatend.

Van de eerste slok moest Prera drie keer overgeven. “Maar ik had niets om uit te kotsen”, zegt hij. Zeven Sri-Lankezen - te zwak om op te staan - hadden de nacht doorgebracht bij hun overleden landgenoten; veertien waren meteen de velden ingelopen. Pas toen ze vrijdagochtend bij een kerkje in de buurt van Györ door de politie werden opgepakt drong het langzaam tot de jongens door dat ze niet in het beloofde land waren.

Op het laatste stuk van hun reis van Roemenië naar 'Duitsland' gingen ze door een hel. Was de atmosfeer in de laadbak 's nachts nog draaglijk, 's ochtends ontstak de zon het vagevuur. Vijf, misschien wel zes uur achtereen hadden de 25 vluchtelingen in de aanhangwagen (in de voorste container met veertien man zat een luchtgat) ritmisch gebonkt en geschreeuwd. “Open the door. Open the door.” En: “Water. Give us water.”

De jerrycan met acht liter water raakte in een mum van tijd leeg. De Sri-Lankezen trokken hun kleren van hun lijf, vochten in het stikdonker om de laatste druppels en vielen een voor een flauw. 's Middags onweerde het. Kumar werd 'wakker' van het geklater van regen op het dak. Hij had zijn lippen nat gemaakt met een straaltje roestbruin vocht dat naar binnen sijpelde. De hitte zwakte af en toen de truck aan het begin van de avond tot stilstand kwam, lagen er achttien doden in de container.

Kolonel Attila Krisán, het hoofd van de Hongaarse grenswacht, slaagde er de eerste dag niet in om de Sri-Lankezen aan de praat te krijgen. Met geen woord spraken ze over het transport of over hun lamentabele conditie. Pas nadat de politie van Györ zaterdag een zoetig stinkende vrachtwagencombinatie met een zwerm vliegen eromheen had ontdekt, kwam het verhaal er met horten en stoten uit.

Pag.5: Hongarije poort naar het Westen

Bij het reconstrueren van de verschillende vluchtroutes tekent zich een internationaal web af van mensensmokkel dat zich uitstrekt van het Verre Oosten tot de landen rond de Zwarte Zee, en vandaar naar Europa. “Hongarije is de poort naar het Westen”, zegt kolonel Krisán in Budapest. In de jaren tachtig was dat de DDR, maar het 'gat van Berlijn' is gedicht met de val van de muur.

“Door de oorlog in Bosnië is de Balkan-route verlegd. Alle transit loopt nu via Hongarije”, zegt Krisán. Zoiets als dit heeft hij nog nooit meegemaakt. Uit de Bulgaarse vrachtauto op de binnenplaats van het politiebureau van Györ walmt nog steeds de weeë geur van ontbinding. De temperatuur in de laadruimte was opgelopen tot 80 graden, zo schat de lijkschouwer in zijn rapport. Op de cabine zit een vrolijke sticker van Neckermann-reizen.

De schaal en de organisatiegraad van de mensenhandel spreekt uit het relaas van de overlevenden:

Prera, de katholieke Singalees, is ongehuwd. Elektricien van beroep. Komt uit Trincomalee, de stad met de meeste verdwijningen in het land dat in de top-drie staat van de VN-lijst van landen met de meeste verdwijningen. Hij zegt 3000 dollar te hebben betaald voor een all-in reispakket naar Duitsland, inclusief een Aeroflot-ticket naar Kiev en onderdak bij 'tussenpersonen'.

Kumar, de hindoestaanse Tamil, heeft zijn vrouw en kind achtergelaten in Colombo, waar hij werkte als sjouwer in de haven. Hij spelt de naam van zijn dochter: R-A-Y-A-T-H-I. Hij vloog naar Moskou voor ongeveer 1000 dollar en kocht zijn vervolgticket bij een lange man met een baard, Rajn genaamd, een Singalees “met een bloedhekel aan Tamils”.

Kumar reisde per trein naar Moldavië, Prera per taxi. Dat wil zeggen: in een auto met nog drie Srilankanen. Dat kostte tegen de afspraak in nog eens 500 dollar. Hij had zijn laatste spaargeld moeten aanspreken. Het groepje van Prera was 's nachts te voet de grens met Roemenië overgestoken. In Boekarest, in het huis van een Singalese Sri-Lankees die met een Roemeense is getrouwd, had hij Kumar voor het eerst ontmoet.

In de Roemeense hoofdstad was ook Devendren 'Deba' Maheswarn, een Tamil met veel tatoeages die een paar dagen later in de voorste, minder hete container van de vrachtwagen zou belanden - en die nu ook soep met balletjes naar binnen werkt in het detentiekamp in Györ.

Deba zegt dat hij vier jaar heeft gevochten als een Tamil Tijger. Hij gelooft in Jezus, is 24 jaar en ongehuwd. Reisde ook via Moskou. Hij heeft een doodshoofd op zijn linker- en een adelaar op zijn rechterarm. In zijn hand klemt hij een lege aspirine-strip. “Ik heb ze onderweg in de vrachtauto allemaal opgegeten”, zegt hij verontschuldigend.

De meeste Duitsland-gangers betaalden in Boekarest 800 dollar. Prera en Kumar hadden al betaald. Op woensdag 12 juli bracht een nieuwe 'tussenpersoon' ze in een tien uur durende rit in een minibusje naar een verzamelpunt ergens in Noord-Roemenië. Op een veldje bij een onverharde weg dat was afgeschermd met 'een gordijn' van doeken en kleden aan een waslijn, verzamelden zich in de loop van de dag 39 Srilankanen. Voor de laatste etappe naar het Westen hadden ze zich in de uit Sofia afkomstige vrachtwagen laten opsluiten.

Wat zochten ze in Duitsland?

“Life”, zegt Prera.

“Future”, zegt Kumar.

“Veel Tamils hebben familie in veel buitenlanden”, legt Deba uit. Iemand zegt dat hij een broer in Zwitserland heeft.

De Sri-Lankezen vind het “doodzonde” dat ze hun eindbestemming niet hebben gehaald. Györ is slechts het voorportaal van het rijke Westen. Er is een fabriek die vrachtauto's maakt en het wemelt er van de tandartsen die in Oostenrijk reclame maken met goedkope bruggen en wortelkanaalbehandelingen. Maar de wereld buiten is ver weg. Hongarije aanwijzen op de kaart kunnen de vluchtelingen niet; sommigen hebben zelfs geen notie van wat een kaart is. Hun wereldse bezit bestaat uit de kleren die ze aan hebben, een paar gymschoenen of teenslippers, een armband of een horloge en een portemonnee met in het beste geval wat handgeld.

Prera, de rijkste en de hoogst opgeleide van het stel, tovert een creditcard van de Sampat-bank tevoorschijn.

Kan hij daarmee geld opnemen?

“Natuurlijk niet!” zegt de Singalese jongen, voor het eerst breeduit lachend. “Deze is van vorig jaar.” Als hij het pastic kaartje met een afbeelding van Sri-Lankese olifanten weer terug op zijn plek schuift, valt het oog van zijn vriend Kumar op een plaatje van een blonde schone. “Laat zien, laat zien”, zegt hij gretig. Het is een foto van Claudia Schiffer.