Een schatkist vol stenen; Pjeroo Robjee schreef virtuoze klucht

Pjeroo Roobjee: De kleinzoon van de letterzetter. Uitg. Balans/Van Halewyck, 276 blz. Prijs: ƒ 39,90.

Pjeroo Roobjee (1945) is een auteur die in België meer faam geniet dan in Nederland, ook al kan hij - getuige een citaat op de achterflap van zijn nieuwe roman - Hugo Claus tot zijn bewonderaars rekenen. Die wijdde aan hem enkele dichtregels: 'Pjeroo slijpt kiezels van woorden/ waar wij ons aan schrammen/ hij lanceert lasso's van sissende zinnen/ en wij verstrammen.' Hopelijk helpt die aanbeveling om Roobjee ook hier de reputatie te bezorgen die hij verdient. De kleinzoon van de letterzetter is een van de meer opwindende boeken van het afgelopen jaar.

Onder meer wegens de 'taal' in de roman. Roobjee hanteert een niet inwisselbare, eindeloos gepolijste kunsttaal met pretenties: het verversen van de literaire woordenschat. De zinnen zitten barstensvol levendige, beeldende woorden; een poëtische kwaliteit die in de eerste twee (paradoxale) regels van Claus' strofe raak is beschreven. Aan de tragikomische en kluchtige atmosfeer in De kleinzoon van de letterzetter dragen die afzonderlijke woorden niet minder bij dan de lotgevallen van de hoofdpersoon, de armlastige adolescent Donald Servotte.

Alleen al zo'n naam roept een wereld van beelden op. Donald Duck, Don Quichot, Donald Servotte: dat klinkt als een onafscheidelijk trio. En zo is het ook een beetje. De kleinzoon van de letterzetter, die zijn in een 'een noodwoning aan de Afrikalaan' woonachtige familie heeft verlaten, doet als romanpersonage sterk denken aan die snaterende, telkens falende Disney-eend en Cervantes' tragische ridder. Met de eerste deelt hij de grote mond, het verlangen naar pakhuizen vol geld en het lot dat hij steevast een schatkist vol stenen opgraaft. Met de laatste heeft hij het dolende bestaan (in het naoorlogse Gent en omgeving) gemeen en het feit dat hem op zijn uitzichtloze queestes een ideale vrouw voor ogen zweeft: 'Het dollarmeisje'.

Wel is zij een profaner type dan de hoofse Dulcinea. Dit zijn andere tijden, maakt Donald aan het begin van zijn eerste tocht in zijn onnavolgbare grootspraak duidelijk: ' 'Die wijven zijn uitgepiept,' deelde hij een zilverberk in vertrouwen mede, 'zij weten van de wereld.' ' Dat maakt de ridder een stuk cynischer, maar haar roep niet minder sterk.

Met zijn metgezel, de hilarische fantast Renaat Bosteels, is Donald de hele roman naar Haar op zoek. Zij moet de roeping vervullen die hij op de eerste bladzijde - nog in de schoolbanken - heeft geformuleerd: ' 'Echtgenoot, dat zal ik worden en zijn,' beloofde hij zichzelf geruisloos. 'De bruidegom van een slijkrijk meisje. De nietsnut van een goudvisje.' '

Maar het noodlot heeft heel andere plannen met Donald Servotte. De kleinzoon van de letterzetter is - lange tijd - een klucht en Servotte een karikaturale gelukzoeker die voor een dubbeltje geboren is. Uiteraard belandt hij tegen het einde van het boek in een landlopershuis, aardappels schillend. Ook de wezens die hij op zijn tochten ontmoet, zijn tot op het bot karikaturaal. Zo hebben de vaders van de 'slijkrijke meisjes' die hij ontmoet, de neiging plotseling tot inkeer te komen als Servotte het toneel betreedt. Met medeneming of na verbranding van het geld verdwijnen ze schielijk uit hun kastelen.

Zijn tochten leveren Servotte zodoende bedroevend weinig op, behalve een blik in de wereld van de rijken. Die wordt bevolkt door een onafzienbare stoet boertige moppen vertellende idioten, of ze nu ondernemer, kunstenaar, 'anarchist' of bisschop zijn. ' 'Spijtig dat mijn varken dat niet meer kan beleven,' zei boer Pap, en hij kreeg een medaille voor zijn worsten.'

Deze kluchtige atmosfeer houdt Roobjee consequent vast - tot aan het laatste hoofdstuk. In een aantal passages daagt dan bij Servotte eindelijk het inzicht 'dat Hij of Zij of Het eigenlijk niet wou dat ik in een rijk bed eindigen zou.' Zijn overtuiging dat hij van de Afrikalaan naar de 'Welvaartstraat' kon verhuizen, blijkt een illusie. Buiten heersen nog de Middeleeuwen. 'Lamlendige sukkels uit krottige, hemdeloze huishoudens, schooiers die in barakken worden verwekt om er te vergaan, mogen geen hovaardig, schier apocalyptisch besef krijgen van hun ware roeping.'

Die passages zijn niet zozeer mooi door die ontluistering - die hoort bij de klucht. Het is opnieuw de taal die voor de echte lading zorgt: virtuoos geeft Roobjee in zijn woordkeus de zinnen een blues mee die Servotte's gemoedstoestand ('De kop gevuld met niets verhelderend verdriet, een heimzieke treurnis waar geen enkele duim op kon worden gelegd') subtiel meezingt. En het is een mooi effect: de klucht 'klinkt' plotseling meer als een tragikomedie. Zeker als Servotte, zoals in het bovenstaand citaat, zich zijn ouderlijk huis weer herinnert, waar armoede door toedoen van de socialistische vader een vorm van religie was.

Die overgang, een stijlbreuk bijna, doet geen afbreuk aan de roman. Integendeel, hij bezorgt De kleinzoon van de letterzetter een extra laag: die van mededogen met de verliezers. Daarmee roept - hoe afgezaagd dat misschien ook klinkt - Roobjee plotseling de humanistische blik van Louis Paul Boon in herinnering. In een andere taal, sardonischer ook, maar toch: hetzelfde mededogen. 'Iemand moet de oude wijn in nieuwe vaten gieten,' schreef Boon eens. Uit Roobjee's nieuwe vaten is het goed drinken.

UIT: PJEROO ROOBJEE, DE KLEINZOON VAN DE LETTERZETTER.

Hij tastte naar een aardappel in de jutezak, liet zijn schrepertje het aarden vel van de Gelderse muis naderen. Langs zijn geestesoog passeerden thans minder zomerse aanschouwingen. Hij belandde midden in een akte waar het dak van die rampzalige stal van Bethlehem werd opgetild en hij verplicht werd de rotte kern te zien van die vervloekte keet waarin hij werd verwekt. Hij zag het vrekkig zwijgende kwartet rond de tafel zitten en in die stilte ving hij de stomme eensgezindheid van hun dorre gedachten op:

Als wij lijden - des te beter. Als wij gelukkig zijn - dan is dat jammer.