De erfenis van de trofeeënbrigades; Drie boeken over kunstroof en de Tweede Wereldoorlog

Het Rode Leger transporteerde tussen 1945 en 1948 2,5 miljoen kunstwerken van Duitsland naar de Sovjet-Unie. Het was een goed geplande vergeldingsactie voor de verwoestingen die de Duitsers in Rusland hadden aangericht. Eindelijk worden deze kunstwerken nu weer getoond. Maar zullen ze ook terugkeren naar Duitsland? In het Poesjkinmuseum wacht men nu al vijftig jaar op 'nadere orders'.

Konstantin Akinsha, Grigorii Kozlov: Stolen Treasure. The Hunt for the World's lost Masterpieces. Uitg. Weidenfeld & Nicolson, 289 blz. Prijs ƒ 63,-. Akinscha, Koslow, Clemens Toussaint: Operation Beutekunst. Die Verlagerung Deutscher Kulturgüter in die Sowjetunion nach 1945. Uitg. Verlag des Germanischen Nationalmuseums, 90 blz. Prijs ƒ 40,-. Lynn H. Nicholas: The Rape of Europa. The Fate of Europe's Treasures in the Third Reich and the Second World War. Uitg. Alfred A. Knopf, 498 blz. Prijs ƒ 53,20.

De Duitsers noemen het 'Beutekunst' of, iets cynischer, 'de laatste krijgsgevangenen van de Tweede Wereldoorlog': de miljoenen kunstwerken en andere kostbare museumstukken die tussen 1945 en 1948 door de Russen uit Duitsland naar Moskou en Leningrad werden getransporteerd en opgeslagen in geheime depots. De Russen spreken van 'trofeeën' en van een 'rechtvaardige genoegdoening' voor de immense schade die de Duitse Wehrmacht tijdens de oorlog in de Sovjet-Unie aanrichtte.

Ondanks de wederzijdse vriendschapsverdragen en de instelling van een Duits-Russische recuperatie-commissie is de kwestie van de door de Russen geconfisqueerde kunst de laatste jaren nog geen stap dichter bij een oplossing gekomen. De Trojaanse goudschat of 'schat van koning Priamus', in 1880 door Heinrich Schliemann aan Duitsland geschonken, ligt nu al een halve eeuw achter een stalen deur in het Poesjkinmuseum en het ziet er niet naar uit dat die schat ooit zal terugkeren naar Berlijn. Dat geldt ook voor Botticelli's schilderij Maria met Kind, Titiaans Portret van Giovanni Moro en honderdduizenden andere kunstwerken.

Het enige dat al het rumoer over de Russische 'kunstroof' tot nu toe teweeg heeft gebracht is dat Rusland het bestaan van de geheime depots, van de 'kunstgoelag', niet langer ontkent. En, wat belangrijker is: de weggestopte werken worden eindelijk weer getoond. Dit voorjaar openden in de Sint Petersburgse Hermitage en in het Poesjkinmuseum in Moskou de eerste exposities van 'verborgen schatten', volgend jaar worden de tot voor kort verloren gewaande gouden sieraden, bekers en schalen die Schliemann in 1873 in Turkije opgroef, uitgestald in het Poesjkinmuseum.

De naoorlogse kunstdeportatie was een goed voorbereide Russische vergeldingsactie voor de verwoestingen van de nazi's in de Oekraïne, op de Krim, in Wit Rusland en rondom Leningrad. Nergens hebben de Duitsers zo gruwelijk huisgehouden als in de Sovjet-Unie, waar hele steden en dorpen met de grond gelijk werden gemaakt. In Novgorod, Kiev, Minsk, Pskov, Smolensk en andere plaatsen werden musea, kerken, paleizen en bibliotheken eerst van al hun kostbaarheden beroofd en vervolgens platgebrand of opgeblazen. Talloze kunstwerken werden overgebracht naar Duitsland en kwamen terecht in Linz, waar de verzameling voor Hitlers toekomstige Führermuseum was opgeslagen, of in de privé-collecties van Goering en andere hoge nazi's.

Al in 1943, twee jaar na de Duitse inval in de Sovjet-Unie, zon de Russische regering op wraak: na de oorlog zou de vijand moeten bloeden voor alle toegebrachte schade. In Moskou legde een speciale commissie een lijst aan van waardevolle kunstwerken uit Duitse museumcollecties. Alle klassieke meesterwerken die in Duitsland te vinden waren, stonden er op, van Rafaëls Sixtijnse madonna uit de Gemälde Galerie in Dresden tot Velazquez' Jonge Spaanse edelman uit de Alte Pinakothek in München. Dat ze München nooit zouden bereiken, dat Duitsland na de oorlog in verschillende bezettings-zones zou worden verdeeld, en dat ze zich bij hun strooptocht tot de oostelijke Sovjet-zone moesten beperken, konden de Russen toen nog niet weten. Maar de buit die ze de in wacht sleepten, zou er niet minder om zijn. In drie jaar tijd, tussen 1945 en '48, wisten de door Stalin op pad gestuurde 'trofeeënbrigades' - groepjes kunsthistorici, archeologen en andere specialisten in Rode Leger-uniform - tweeëneenhalfmiljoen kunstwerken op te sporen en naar de Sovjet-Unie te transporteren. En het bleef niet bij kunstwerken alleen: complete fabrieken werden ontmanteld en verhuisd naar de Oeral, bibliotheken en archieven, machines, muziekinstrumenten, drukpersen - alles van waarde verdween naar het oosten, negentigduizend goederenwagons vol.

Supermuseum

De Russen speelden aanvankelijk met het megalomane idee de Duitse kunstschatten onder te brengen in een nieuw te bouwen 'supermuseum', het 'Museum voor Wereldkunst' in Moskou. Maar net als Hitlers Führermuseum zou dit er nooit komen en de Duitse kunst kreeg in Moskou een minder prominente plek toebedeeld. In afwachting van 'nadere orders' werd het grootste deel opgeslagen in de depots van het Poesjkinmuseum, de rest ging naar de Hermitage. De conservatoren van het Poesjkin wisten niet wat ze aanmoesten met de stroom van nieuwe aanwinsten, honderden kisten bleven jarenlang onuitgepakt, de 'nadere orders' bleven uit en elke poging van de museumstaf om een tentoonstelling te organiseren, werd van hogerhand getorpedeerd. In 1949, toen de depots stamp- en stampvol waren, kreeg de directie van het museum tot overmaat van ramp de opdracht alle zalen te ontruimen voor de 'Expositie van Geschenken aan Stalin' die tot Stalins dood in 1953 het hele museum in beslag zou nemen. Maar ook in de daarop volgende jaren bleven de oorlogstrofeeën verstopt in de depots.

De Russische regering zat er duidelijk mee in de maag. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de propagandacampagne waarmee de teruggave van zo'n anderhalf miljoen kunstwerken aan Polen en de DDR eind jaren vijftig gepaard ging. De Sovjet-Unie creeërde toen de mythe van het kunstlievende en heldhaftige Rode Leger dat al deze schatten voor verval en destructie had behoed, dat wereldberoemde schilderijen net op tijd uit ondergelopen kelders had gesleept en bibliotheken beschermd tegen schimmel. Ja, de hele operatie was één grote reddingsactie geweest waarvoor de wereld de Russen dankbaar moest zijn. En als kroon op dit nobele werk werd alles nu ook nog heelhuids en zo nodig zelfs gerestaureerd teruggebracht. Dat al die kunst tien jaar eerder eenvoudig geconfisqueerd was als compensatie voor de eigen verliezen in de oorlog, werd toen hardnekkig verzwegen.

Perestrojka

Hoewel er nog een miljoen werken in de Sovjet-Unie waren achtergebleven, besloot het Centraal Comité in 1960 dat 'de teruggave van cultuurschatten, tijdelijk opgeslagen in de Sovjet-Unie, voltooid is'. Het onderwerp werd van de agenda gevoerd en raakte in de vergetelheid. Maar het muisje zou dertig jaar later een staartje krijgen. In 1991 kwamen twee Russische kunsthistorici, Konstantin Akinsha en Grigorii Kozlov met opzienbarende onthullingen over geheime Russische depots vol geroofde kunstwerken. Akinsha en Kozlov waren hun onderzoek naar de geschiedenis van de verborgen trofeeën begonnen in 1987, nadat Kozlov in het archief van het Sovjet-ministerie van Cultuur documenten had gevonden over de 'Grote Trojaanse Schat' die in een 'speciale opslagruimte' van het Poesjkinmuseum zou liggen. Omdat het, ondanks de perestrojka, niet mogelijk bleek hun bevindingen in de Sovjet-Unie openbaar te maken, namen Akinsha en Kozlov hun toevlucht tot het Amerikaanse blad ArtNews.

De serie artikelen die dit blad de afgelopen jaren publiceerde, is nu uitgebreid en aangevuld tot een boek: Stolen Treasure, The Hunt for the World's lost Masterpieces. Vlak voor deze uitgave, die vorige maand verscheen, kwam in Duitsland, eveneens van Akinsha en Kozlov, het boek Operation Beutekunst uit. In beide boeken wordt de geschiedenis van de 'grootste kunstverhuizing aller tijden' gedetailleerd beschreven, van 1943, toen het idee in de Sovjet-Unie ontstond, tot de volkomen spaak gelopen onderhandelingen tussen de Duitsers en Russen waar we nu mee te maken hebben. Operation Beutekunst is beknopter dan Stolen Treasure, maar het bevat wel een reeks documenten uit Russische archieven plus de beschrijving van het lot van enkele door de Russen in beslag genomen Duitse privé-collecties.

Gedegen grondslag

De titels van de twee boeken spreken duidelijke taal: Akinsha en Kozlov beschouwen de Russische kunst-confiscatie als diefstal en ze voelen niets voor het door de Russen uitgedragen standpunt over compensatie van geleden oorlogsschade. In Stolen Treasure gaan de auteurs niet expliciet tot de aanval over, de feiten moeten hier voor zichzelf spreken. Maar in Operation Beutekunst wordt het Russische standpunt in felle bewoordingen door hen veroordeeld.

Er is iets vreemds aan de hand met dit boek. Het is een uitgave van het Germanisches Nationalmuseum in Neurenberg, dat sinds de oprichting in 1852 tot taak heeft 'de kunst en cultuur van het gehele Duitstalige gebied te verzamelen, bewaren en onderzoeken', zoals directeur Ulrich Grossmann schrijft. Met de publikatie van Operation Beutekunst wil het museum de openbare discussie over dit onderwerp een gedegen, 'op archiefstudie gefundeerde grondslag' geven. Dat klinkt mooi. Maar het boek heeft toch ook een pamflettistisch karakter. In de inleiding stelt Grossmann dat de oorlogshandelingen van de Duitsers weliswaar de oorzaak waren van de Russische inbeslagname, maar, zo voegt hij daar aan toe: 'natuurlijk rechtvaardigt het ene onrecht niet het volgende'.

Evenals Akinsha en Kozlov vindt de directeur van het Germanisches Nationalmuseum, dat is wel duidelijk, dat alle kunst uit Duitsland die nog in Rusland is, moet worden geretourneerd. In het Westen is dat de overheersende mening, in Rusland is dat niet zo. In de Pravda werden Akinsha en Kozlov onlangs nog uitgemaakt voor 'cultuurcollaborateurs'.

Bij de vraag of de buitgemaakte kunst nu wel of niet terug moet naar Duitsland, beroepen beide landen zich op internationale afspraken en verdragen. In 1990 kwam president Kohl met Gorbatsjov overeen dat 'verdwenen of onrechtmatig overgebrachte kunstschatten die in een van beide landen worden aangetroffen aan de eigenaren of hun opvolgers zullen worden teruggegeven'. In het culturele verdrag dat Jeltsin en Kohl in 1992 sloten, werd deze overeenkomst nog eens bekrachtigd. Maar er bestaat ook een akkoord uit 1946 tussen de Russen en de geallieerden over de vervanging van verloren gegane kunst door gelijkwaardige werken uit Duitse openbare collecties. ('replacement in kind'). Dit akkoord gebruiken de Russen nu als argument tegen de Duitse claims. Van 'onrechtmatig overgebrachte kunstschatten' was destijds geen sprake, zo redeneren zij. Door het akkoord met de geallieerden waren de kunstconfiscaties immers een volkomen legale, internationaal geaccepteerde genoegdoeningsactie.

Als we de inbeslagname van particuliere Duitse collecties buiten beschouwing laten (die collecties hoort Rusland natuurlijk terug te geven) lijkt dit standpunt niet helemaal onredelijk. De Duitsers hadden tenslotte een onvoorstelbare ravage aangericht in de Sovjet-Unie en dat de Russen daarvoor een vergoeding wilden, is te begrijpen. In elk geval is het onzin om het Russische standpunt af te doen als een gevaarlijke uiting van de kop opstekend Russisch nationalisme, zoals nu in het Westen vaak gebeurt.

Akinsha en Kozlov zijn in Stolen Treasure nogal vaag over het akkoord uit 1946. Dat er toen tussen de verschillende partijen wat verwarring over bestond, blijkt uit het eind 1994 verschenen boek The Rape of Europa. The fate of Europe's Treasures in the Third Reich and the Second World War van de Amerikaanse kunsthistorica Lynn H. Nicholas.

Dit boek behandelt alle Europese kunst-deportaties tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog. Het accent ligt uiteraard op de Duitse rooftochten in de door de nazi's bezette gebieden. Hoewel de Russische kant van de zaak er in dit boek bekaaid af komt, bevat het toch belangrijke aanvullingen op de studie van Akinsha en Kozlov. Zo maakt Nicholas duidelijk dat de Russen, Britten en Amerikanen destijds verdeeld waren over de invulling van het 'replacement in kind'-akkoord. De Britten voelden er eigenlijk niets voor om Duitsland als schadeloosstelling van zijn kunst te ontdoen. De Amerikanen waren hier wél voor geporteerd en het had maar een haartje gescheeld of de Verenigde Staten hadden hun deel ingepikt. De directeur van de National Gallery in Washington stond al lijstjes te maken in Duitsland van schilderijen die zijn begeerte opwekten. In 1946 werden ook daadwerkelijk 202 topstukken uit Duitse musea naar Amerika verscheept. Maar anders dan in de Sovjet-Unie bestond er in Amerika iets als een 'publieke opinie' en onder druk daarvan werden de kunstwerken enkele jaren later geretourneerd.

Het resultaat van de verdeeldheid tussen de Russen en de geallieerden over het wel of niet in beslag nemen van kunstwerken, was dat de kwestie min of meer onopgelost bleef, elk land maar een beetje naar eigen goeddunken handelde en de Sovjet-Unie dus ongehinderd het karwei kon afmaken. Of dat legaal of illegaal gebeurde - daarover zullen de partijen het wel nooit eens worden.

Omissies

Met The Rape of Europa heeft Lynn H. Nicholas zichzelf de taak gesteld alle kunstconfiscaties tijdens en na de Tweede Wereldoorlog en alle juridische kwesties die daar later uit voortvloeiden, in kaart te brengen. Door deze drang naar volledigheid verzandt het boek nogal eens in een dorre opsomming van transporten, depot in depot uit. Nicholas is beter op de hoogte van de gebeurtenissen in West-Europa dan van wat zich tegelijkertijd in het Oosten afspeelde, in Polen, Rusland en op de Balkan. Zo komt de Trojaanse goudschat van Schliemann in haar boek niet voor, hoewel dat nu juist een van de hete hangijzers is. Ook de teruggave van anderhalf miljoen kunstwerken aan de DDR, eind jaren vijftig, wordt door haar niet genoemd en zo zijn er meer omissies. Hoewel haar geschiedschrijving, net als Stolen Treasure, in het heden eindigt, is haar boek niet up-to-date. Als laatste bericht over de Koenigs-collectie (tijdens de oorlog door de Duitsers in Nederland gekocht, later in Duitsland door de Russen geconfisqueerd en naar het Poesjkinmuseum gebracht) meldt Nicholas dat die binnenkort wel naar Rotterdam zal terugkeren. Uit het boek van Akinsha en Kozlov, dat meer bij de tijd is, kunnen we leren dat de kans daarop nu kleiner is dan ooit.

De Duitsers en de Russen slaan elkaar sinds vorig jaar om de oren met lange lijsten van wederzijds geroofde kunstschatten. Duitsland wil tweehonderdduizend kunstwerken terug, twee miljoen boeken en drie kilometer archief. Rusland claimt op zijn beurt veertigduizend kunstwerken bij Duitsland. Maar Duitsland heeft geen geheime opslagplaatsen en weet niet waar het die kunst moet zoeken. Alles wat door de Duitsers uit de Sovjet-Unie was geroofd is in 1947, voor zover het was opgespoord, immers door de geallieerden al aan Stalin teruggegeven.

Maar in beide landen (en in Amerika), bestaat natuurlijk ook een zwart circuit. Naast de grote rooftochten door de staat waren er in de oorlog de kleine, stiekeme privé-rooftochtjes. Zowel in Stolen Treasure als in The Rape of Europa wordt duidelijk wat iedereen wel wist, maar wat bij lezing toch onthutsend is: de enorme schaal waarop overal door hoge en lage militairen kunstwerken achterover werden gedrukt. Russische officieren stuurden treinwagons vol kostbaarheden naar hun datsja's, Amerikaanse soldaten zonden hun kunstpakketjes per post naar huis. Volgens Akinsha en Kozlov zijn de meeste Westeuropese kunstwerken in Russisch privébezit gestolen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Deze buit valt niet meer te achterhalen, welk verdrag er ook gesloten wordt.