De aanbidding van het beeldenrijk

Eye: The International Review of Graphic Design nr. 17, Vol. 5, zomer 1995. Imp. Bruil & Van der Staaij. Prijs ƒ 45.

Het Engelse tijdschrift Eye is het beste tijdschrift dat ik ken over grafische vormgeving, misschien wel het beste over vormgeving in het algemeen. Hoofdredacteur Rick Poynor was onlangs in Nederland en uitte op een lezing in het Vormgevingsinstituut felle kritiek op de manier waarop vormgeving - en het schrijven erover - zich in de hoek van de vrijblijvendheid heeft laten manoeuvreren. “In de jaren tachtig raakte vormgeving synoniem met de zoveelste verpakking en met opzichtig consumerism,” zei hij. “Eye is begonnen als reactie daarop. De nadruk ligt bij ons niet op personalities maar op hun werk, en op het bredere vraagstuk van hoe we met elkaar communiceren en waarover.”

Dat klinkt misschien pretentieus, maar sinds de lancering eind 1990 slaagt Eye erin het actuele met het bedachtzame te verenigen en dat mooi te presenteren. Het nieuwe zomernummer bevat behalve artikelen over het Berlijnse blad Form + Zweck, de Praagse ontwerper Alés Najbrt en het belang van reclame voor de geschiedenis van de grafische vormgeving ook een artikel over de stand van zaken in Nederland door Carel Kuitenbrouwer, zelf ontwerper en sinds kort medewerker van het Vormgevingsinstituut. In de grafische vormgeving in Nederland heerst een ongemakkelijke stilte. Na de oververhitte jaren tachtig, waarin de wildste ideeën met accolades werden begroet, is wat hij noemt 'de nieuwe soberheid' aangebroken.

Bij een aantal jonge ontwerpers bespeurt Kuitenbrouwer weerzin tegen de overdaad aan gratuite beelden, het amechtig zoeken naar vernieuwing en de zucht om te choqueren die deze discipline sinds enige jaren kenmerkt. Misschien begint de reputatie van de Nederlandse ontwerpers zich ook tegen hen te keren. Ze zouden behalve zeer creatief, ook zeer eigenwijs zijn. Thomas Widdershoven, bekend van onder andere de vormgeving van het tijdschrift De Zingende Zaag, wijst het idee van de ontwerper als kunstenaar af: “Ik wil liever niet iets maken wat zo rauw is, dat je óf ervan moet houden, óf het moet haten. Design moet aangenaam zijn.” Een ongezouten oordeel komt van Roelof Mulder, winnaar van de eerste Rotterdamse Designprijs: “Ik vraag me af of Nederland nog zo belangrijk is op het gebied van de grafische vormgeving. Nederlandse ontwerpers zijn altijd goed geweest in solide typografie (-) maar het ontbreekt ze aan fantasie.”

Als ik hem goed begrijp vindt Kuitenbrouwer dat na de 'zondige aanbidding van het beeldenrijk' door bureau's als Gert Dumbar, Hard Werken en Wild Plakken, deze terugkeer naar een calvinistische ascese geen kwaad kan. Als dit maar niet wordt opgevat als een pleidooi om de invloed van de ontwerper terug te dringen. Want dan zou deze fase geen overgang blijken te zijn, maar een crisis.