Autopsie op de zelfhaat

Graciliano Ramos, Angst (Angústia). Vert. August Willemsen. Uitg. Coppens en Frenks, 271 blz., ƒ 56,90.

Graciliano Ramos moet een nogal nurks man zijn geweest. Kortaf in de mond, grof van taal, een criticaster van cultuur en literatuur in het algemeen en van zijn eigen literatuur in het bijzonder. Want Ramos schreef: vier romans, een paar boeken memoires en bundels met cursiefjes. Hij werd er een van de belangrijkste Braziliaans auteurs van voor de Tweede Wereldoorlog mee, in een periode waarin de literatuur van het land een ongekende bloei doormaakte.

Angst, dat als derde van zijn romans in 1936 verscheen en nu door August Willemsen is vertaald, geeft zich niet gemakkelijk aan de lezer. Het is het zelfportret van Luis da Silva, een onbetekenende kantoorklerk die noch veel van de wereld noch veel van zichzelf kan houden. Hij is de vleesgeworden middelmatigheid met een ranzig luchtje, die zich het enige dat hem beroert, zijn liefje Marina, ontfutselt ziet door een patserige mededinger. Zelfs zijn wraak is banaal.

Als Graciliano Ramos in Luis da Silva zichzelf heeft willen schilderen - en autobiografische elementen zijn er genoeg in dit boek - dan heeft hij dat met gruwelijke ontluistering gedaan. Het maakte hem tot een omstreden auteur, maar zijn roman werd een meesterwerk van psychologische ontleedkunde: een autopsie op een al bij leven aan zelfhaat, benepenheid en rancune overleden ziel.

Vrolijk wordt men niet van deze roman vol beklemming, waarnaar de titel Angústia al verwijst. Maar virtuoos is wel de wijze waarop Ramos dit morele nihilisme beschrijft. Hij schuwt alle nadrukkelijkheid; Luis' voosheid ligt geheel verzonken in de grauwe toon van het levensverhaal dat hij hem laat vertellen. Indirect en nauwelijks aanwijsbaar, via onbestemde zinnen en elliptische beschrijvingen stijgt de nietsigheid op uit de bladzijden van het boek als een vage maar onmiskenbare geur van oude sokken.

Willemsen, die het boek van een informatief en scherpzinnig nawoord voorzag, zorgde voor een mooie, zij het op het punt van de katholieke terminologie niet geheel vlekkeloze vertaling. Peetvader mag dan in Van Dale voorkomen, het woord heeft meer te maken met de mafia dan met de doop; idiomatischer is peetoom of peter. Een soutane heet in gewoon Nederlands een toog. Met een Hart van Jezus zal een Heilig-hartbeeld bedoeld zijn. Een Ave Maria is een Wees Gegroet. En 'zij die dorsten naar gerechtigheid' zijn volgens het oude gebedsformulier niet 'gelukzalig' maar gewoon 'zalig'.