Alsof je vijftien uur aan het sprinten bent

UTRECHT, 21 JULI. Thuis bij Wilco van Rooijen, lid van de K2-expeditie, hangen twee klokken naast elkaar aan de muur. Eén met de Nederlandse tijd, één met de tijd in Pakistan. “Het zijn gewoon twee klokken, maar voor mij zijn ze op dit moment mijn enige houvast om bij de jongens op de berg te zijn.”

De K2-expeditie, naar de op-een-na hoogste berg ter wereld, is geslaagd, want de top van de berg is bereikt. Voor de 27-jarige Van Rooijen een schrale troost. Hij werd een maand voordat Ronald Naar en Hans van der Meulen de top bereikten, getroffen door een vallend rotsblok. Nu zit hij thuis in Utrecht, met een pin in zijn linkerarm en een plaatje in zijn gezicht.

De mentale dreun overheerst de lichamelijke pijn die Van Rooijen aan zijn ongeluk heeft overgehouden. “Die pijn en het ongemak gaan wel weer weg. Maar ik heb het nu vooral moeilijk met mezelf, met de teleurstelling over die gemiste kans.” Want een kostbare Nederlandse expeditie als die naar de K2 is een zeldzaamheid.

Van Rooijen mocht samen met twee andere jonge bergbeklimmers het team van Ronald Naar completeren. Naar had met twee ervaren klimmers, Hans van der Meulen en Edmond Öfner de basis van zijn team gelegd. Van Rooijen: “Ronald wilde naar de K2, dat was zijn droom en het moest zijn laatste grote klus worden.” Voor een gering bedrag konden de 'jonge honden', Thierry Schmitter, Van de Gevel en Van Rooijen mee, met als achterliggende gedachte dat zij de nieuwe expeditie-generatie gaan vormen. “Maar voor Naar is eigenlijk geen opvolger. Weinig mensen zullen het voor elkaar krijgen om een begroting van één miljoen sluitend te krijgen, want dat kost deze expeditie, inclusief de klimvergunning van dertigduizend gulden voor de autoriteiten in Pakistan.”

De K2, 8760 meter hoog, heeft eigenlijk geen naam. De 'K' staat voor Karokorum wat 'gebergte van rots' betekent en is dan ook een ander gebergte dan de Himalaya wat staat voor 'gebergte van sneeuw'. De pieken in het Karokorum-gebergten kregen eenvoudigweg nummers en de K2 kreeg het nummer '2'.

De berg heeft wel een bijnaam: 'the killer mountain'. Zo genoemd omdat er geen berg is waar meer dodelijke ongelukken op plaatsvinden. Met als dieptepunt 1986, toen in een paar dagen tijd dertien klimmers de dood vonden. “Natuurlijk hebben we al die ongelukken nauwkeurig geanalyseerd, dat is een vast onderdeel van de voorbereiding. Die doden in 1986 vielen omdat ze door het slechte weer niet terug konden. Daardoor zaten ze zeven dagen in de 'zône des doods', het gebied boven de 8000 meter. Zelfs het sterkste lichaam kan het maar een beperkte tijd op die hoogte volhouden. Er is daar veel minder zuurstof en bovendien kunt je bijna niets eten omdat je een hartslag hebt alsof je aan het hardlopen bent.” Klimmers gingen zelfs hallucineren: “Eentje herkende een vriend in een rotsblok, liep ernaar toe en viel te pletter.”

Wat zijn eigen ongeluk op 18 juni betreft kan Van Rooijen zichzelf niets verwijten. Op het fatale moment was Van Rooijen op weg naar kamp 2 op 6550 meter hoogte, toen hij Hans van der Meulen die boven hem hing, hoorde waarschuwen dat er een steen aankwam. “Ik keek omhoog maar toen was het al te laat. Vanaf dat moment herinner ik me weinig, alleen dat ik in de touwen hing.” Met één functionerend oog en één arm aanvaardde Van Rooijen de terugtocht naar het basiskamp. “Om de zoveel meter viel ik bewusteloos. Het weer werd slechter en omdat ik nog maar één oog had om mee te kijken zag ik geen diepte meer. Kortom, het was tot en met de thuiskomst in Utrecht een lijdensweg.”

Thuis laat hij met diepe bewondering het nieuws op zich inwerken dat Naar en Van der Meulen de top bereikten. “Ze hebben er vijftien uur over gedaan om de top te bereiken. Op die hoogte is het alsof je al die tijd aan het sprinten bent, echt een extreme inspanning dus. Toen ze aankwamen konden ze nog even de zon zien en moesten ze terug terwijl het langzaam donker werd.”

Net als op de heenweg passeerden ze daarbij de beruchte bottle-neck, een loodrechte ijswand waar de meeste dodelijke ongelukken gebeuren. “Moet je voorstellen: na die bijna onmenselijke inspanning moet je daar nog gaan dalen, terwijl het donker wordt. Ze hadden meteen onder de top een bivak op kunnen zetten, maar dan liepen ze de kans dat ze zouden bevriezen”. Naar en Van der Meulen, de laatste zonder zuurstofflessen, konden het opbrengen om tot onder die 8000 meter te dalen naar kamp 4, bestaande uit één tent die ze de dag ervoor hadden opgezet. Inmiddels zijn ze veilig terug in het basiskamp om te herstellen. Cas van de Gevel, de klim-vriend van Van Rooijen, probeert vandaag de top te bereiken. “Als dat lukt zou dat geweldig zijn. Hoe klote ik me ook voel, ik denk voortdurend aan hem. We klimmen zes jaar samen, zijn samen gevallen, hebben ooit vijf dagen zonder eten en drinken gezeten, we zijn een Siamese tweeling.”

Een blik op zijn klokken en Van Rooijen weet wat het K2-team aan het doen is: “Nu gaan ze eten, straks zitten ze allemaal helemaal ingepakt bij elkaar, daarna gaan ze slapen. Maar ook als ik bijvoorbeeld onder de douche sta of een boterham eet denk ik aan ze.” Dergelijke vanzelfsprekende zaken zijn op een berg pure luxe. “Ik vind dat je het leven moet verdienen en door die ontberingen op zo'n berg leer je wat leven is.”