Weg met het ijsblokje; Liever lauw

Kleine ergernissen, het dagelijks leven zit er vol mee. De een gaat steigeren bij het zien van een broekrok, de ander verzet zich tegen het te pas en te onpas gebruiken van het verkleinwoord. En waarom daar niet eens lekker & onredelijk tegen fulmineren? Deze week in 'Weg met': het ijsblokje.

Het wordt tijd voor een eerherstel van de lauwe drank. Whisky geeft een voorbeeld. Op dagtemperatuur laat dat zijn smaak sterker voelen dan verkild door ijsblokjes; en aan de slappe laatste slokken wanneer er voor de helft smeltwater in zit hoeven we helemaal geen woord te besteden.

Voor jenever geldt net zoiets. Sommige gastheren zijn er trots op als de fles ondoorzichtig bevroren uit het vriesvak komt, anderen vinden dat hij tenminste gekoeld moet zijn samen met de boter en de tomaten; maar de hartigste jenever wordt regelrecht uit de kast in de zitkamer gehaald, waar hij vroeger ook stond, bij onze grootvaders, in een karaf met een glazen stop.

Koud bier dan? Nee, ten onrechte grinneken Engelsen beschaamd over hun reputatie van tepid beer-drinkers; het karakter van een lauwe pint of bitter blijft een kroegloper bij tot lang nadat de smaak van een ijzig pilsje vergaan is.

En al de gekoelde wijn die ons aanbevolen wordt is ook geen genoegen. Nauwelijks begint de zon in mei de aarde te verwarmen of de drankhandelaren denken dat wij klaar staan voor vier maanden Moezel en Soave. Het is toch al geen grap om de klamme zomers te moeten doorstaan die ons tegenwoordig opgelegd worden; en dan zouden wij bovendien strogele koelwijn moeten drinken in plaats van een verzoenend glas rood?

Het is niet zo dat ijs pas in zwang is gekomen in de eeuw van de electriciteit. De Romeinen gebruikten het, de Chinezen konden ermee overweg, en de ijskelders in de tuinen van de grote huizen van 's Graveland en Bloemendaal en Wassenaar hebben eeuwenlang dienst gedaan. IJs is een klassieke substantie, en het zou niet aangaan om het vlotte moderne blokje te veroordelen, zo hard en helder en zo vergankelijk. Het moet zich alleen niet opdringen; niet het air van onmisbaarheid aannemen waar de achtergrondmuziek door velen om verfoeid wordt.

Laat het als hulpdelicatesse dienen. Onze koelemmers kunnen decoratief op de onderste plank blijven staan; de ijsblokjes bederven niet als wij ze laten doorvriezen in hun holen. Voor het geval dat het warm zonnig weer wordt vandaag hebben wij een fles donkere Pomerol klaarstaan om open te trekken bij het vallen van de avond; mochten wij er te laat voor thuiskomen, dan nemen wij een dikke bodem malt whisky en laten hem warm, bruin en stekelig over de tong lopen. Daarbij zullen wij af en toe een vleug van de nachtwind voelen die onze schouders doet rillen.

Van enkele tuinen verder horen wij intussen het harde lachen van een groepje Moezel- en pilsdrinkers. Bij hen is alles gekoeld: het glas, de slokdarmen, de metalliek verstijfde magen. Zij zullen er onrustig van slapen. Er is nu niets meer aan te doen. Zij moeten het uitzieken. Morgen spreken wij elkaar nader, bij een kop dampende thee om de dorst te lessen op het heetst van de dag.