We zijn verkenners maar spelen liever trompet

Wouter en Pieter Schouten zijn tweeling. Allebei zijn ze lid van de padvinderij. Wouter zit op de verkennersgroep van RagayRedoz met alleen jongens op zaterdagmiddag, Pieter gaat elke zaterdagmorgen naar de gemengde groep van de Margriet Verbraak scouting.

Wouter: “Het begint met het hijsen van de vlag. Daarna zeggen ze welke spelletjes we gaan doen. Dan gaan we spelletjes doen. We zitten in verschillende patrouilles. Soms moet onze patrouille zorgen voor het hijsen van de vlag. Dan moet je drie vingers van je rechterhand opsteken en de verkennerswet uit je hoofd opzeggen. Dat gaat over dat een verkenner eerlijk is en goed voor de natuur en andere mensen moet helpen.”

Pieter: “Dat staat in het scout-zakboekje.”

Wouter: “Ik zal het even halen. Hier staat het: Een scout trekt er samen met anderen op uit om de wereld om zich heen te ontdekken en deze meer leefbaar te maken. Een scout is eerlijk, trouw en houdt vol, is spaarzaam en sober en zorgt goed voor de natuur. Een scout respecteert zichzelf en anderen.”

Pieter: “Er is ook een logboek.”

Wouter: “De patrouille schrijft in het logboek over wat we gedaan hebben. Dat doen we meestal hier thuis op de computer.”

Pieter: “Het leuke aan scouting is dat je in de natuur bent. We hebben zojuist een hike gehad. Dan moet je lopen met een rugzak. We krijgen ook wel eens een dropping. We zijn laatst op de heide in Ermelo gedropt. Maar het was helemaal niet zo donker. Je ziet zo waar je bent. Kampvuur stoken is ook leuk.”

Wouter: “Het is helemaal niet moeilijk om een kampvuur te maken. Bij ons gooien ze er gewoon een kopje benzine overheen. Dan krijg je een enorme steekvlam.”

Pieter: “Bij het maken van een kampvuur moet je eerst takjes zoeken. Daar maak je een wigwam van. Je doet er hars uit een boom bij. Daarna ga je pionieren, dat is de houtjes met een touwtje vastmaken.”

Wouter: “We hebben ook wel eens een ritseltocht gehad. Bij een ritseltocht moet je dingen halen. Een oud brood. Of een binnenband van de fietsenmaker. We zijn ook naar een bioscoop geweest om te vragen wat ze die avond gingen draaien. Of we iets leren wat andere kinderen niet kunnen? Ja, kaartschieten en knopen leggen. Sommige kinderen op onze school kunnen niet eens een platte knoop leggen. Je hebt ook kinderen die hun veters niet kunnen strikken. Ons broertje bijvoorbeeld.”

Pieter: “We spelen ook trompet. Ik zit in een jeugdorkest.”

Wouter: “Ik zit in een marching band.”

Pieter: “Soms gaan we met z'n tweeën op straat spelen. Ik ga ook wel eens alleen. Met Koninginnedag heb ik honderd gulden verdiend. Ik doe mijn koffer open en daar gooien de mensen geld in. Je moet er nooit te veel in laten liggen, want anders denken de mensen dat je al veel te veel geld krijgt.”

Wouter: “Wat ik later wil worden? Architect. Of iets met computers.”

Pieter: “Ik wil tandarts worden. Dat vind ik leuk. En ook om er geld mee te verdienen.”

Wouter: “Hij is een geldwolf. Bij monopoly wil hij altijd al zijn huizen verkopen.”

Pieter: “Ja, lekker alle huizen verkopen.”

Wouter: “Als we moesten kiezen tussen scouting en trompet, dan kozen we voor de trompet. Trompet kun je altijd spelen en scouting is maar één keer in de week.”