Rechtbank wijst eis tot verlenging van alimentatie af

DEN HAAG, 20 JULI. De Haagse rechtbank heeft een eis om de duur van de alimentatie te verlengen, afgewezen. De Stichting Rechtenvrouw en de bond van gescheiden vrouwen Divortium hadden de zaak aangebracht. De alimentatieduur was onbeperkt, totdat een nieuwe wet in werking trad die bepaalt dat er tot twaalf jaar na de scheiding alimentatie moet worden betaald.

De organisaties vinden dat de beperking te vroeg komt. Nederlandse vrouwen kunnen volgens hen nog steeds niet vrijelijk aan een carrière werken, omdat zij in een huwelijk vaak de meeste zorgtaken op zich nemen. Na een mislukt huwelijk kunnen ze niet snel aan de slag. Volgens de rechtbank in Den Haag is daarmee in de wet echter rekening gehouden. “De situatie waarin deze vrouwen kunnen geraken, is onder ogen gezien”, zo luidde het vonnis gisteren. “In dat verband is immers aandacht besteed aan een grotere groep oudere gescheiden vrouwen, wier mogelijkheden voor economische zelfstandigheid zeer beperkt tot nihil zijn, en eveneens aan vrouwen die kinderen moeten verzorgen alsmede aan de categorie vrouwen die langdurig gehuwd zijn geweest.”

De rechtbank wijst erop dat de Eerste Kamer zich voor deze kwestie heeft ingezet. Dat leidde tot een extra aanpassing van het wetsvoorstel. Toetsing van de wet bij de rechter is daarom niet op haar plaats, oordeelde de rechtbank. De advocaat van de Stichting Rechtenvrouw, mr. H. de Roo, kondigde aan in hoger beroep te gaan.

Minister Melkert (sociale zaken) schreef gisteren aan de sociale diensten dat de diensten minder snel de kosten van de bijstand hoeven te verhalen op onderhoudsplichtige ex-partners. De diensten kunnen van verhaal afzien als het gaat om bedragen van minder dan honderd gulden per maand. Gemeenten moeten wel doorgaan met gerechtelijke procedures tegen ex-partners die het onredelijk vinden dat sociale diensten jaren na de scheiding alsnog geld willen zien. Als de ex-partners door een rechter in het gelijk worden gesteld, moet de gemeente in hoger beroep gaan. De versoepelingen gelden met terugwerkende kracht tot 6 april 1995.

Vorige maand stemde de Tweede Kamer in met deze aanpassingen van de Algemene Bijstandswet. Wel toonde de Kamer zich bezorgd over de onzekere situatie waarin onderhoudsplichtige ex-partners terecht zijn gekomen. Vóór 1 augustus 1992 konden gescheiden partners met wederzijds goedvinden afzien van alimentatie. In de praktijk hield dat in dat één van beiden een beroep deed op de bijstand. Sindsdien mag dat niet meer. Sociale diensten moeten de kosten van de bijstand in rekening brengen bij de onderhoudsplichtige ex-partner. Dat geldt niet alleen voor nieuwe gevallen. De dienst kon mensen die op dat moment nog geen twaalf jaar gescheiden waren, voor de resterende periode alsnog onderhoudsplichtig verklaren.

Volgens de Kamer verkeert deze laatste groep in grote onzekerheid. Dat komt vooral doordat rechters die in een conflict tussen een ex-partner en een sociale dienst uitspraak moeten doen, het onderling niet eens zijn. Om aan deze onzekerheid een einde te maken, vroeg de Kamer om cassatie bij de Hoge Raad om een bindende uitspraak te verkrijgen.

Volgens Melkert zijn de mogelijkheden van een dergelijke procedure gering. Melkert wijst erop dat gemeenten voldoende mogelijkheden hebben om in beroep te gaan tegen een uitspraak waarin de sociale dienst in het ongelijk wordt gesteld. De vijf hoven die het beroep behandelen, vinden dat de verhaalsplicht niet vervalt als de dienst enkele jaren niets van zich heeft laten horen.