Kan iedereen wel aan het werk?

Toen eind vorige maand in Noordwest-Europa het mooie weer begon hadden veel kranten op hun voorpagina's foto's van volle terassen en stranden. Het Engelse dagblad The Independent zette boven het zonovergoten bloot een opmerkelijke kop: Thursday 2.30pm: the British at work. Was hier sprake van cynisme? Of werd hier een poging gedaan het begrip 'werk' opnieuw te definiëren?

Evenals Groot-Brittannië kampt Nederland met een hardnekkig hoge werkloosheid. Weliswaar geldt 'volledige werkgelegenheid' sinds jaar en dag als centrale doelstelling in het Nederlandse sociaal-economische beleid. Maar wat er ook wordt geprobeerd, het doel raakt steeds verder buiten bereik. Na elke economische cyclus blijft de werkloosheid op een hoger niveau steken.

Dit roept de vraag op of het werkloosheidsprobleem nog wel oplosbaar is, en of de nadruk op (betaalde) arbeid niet langzamerhand toe is aan herziening. Aan dit thema wil NRC Handelsblad de komende weken op de Opiniepagina extra aandacht schenken.

De cijfers zijn onheilspellend. De economie groeit en de winst bloeit, maar de werkgelegenheid hapert. De wereld bevindt zich in de ernstigste werkloosheidscrisis sinds de depressie van de jaren dertig, maar de onverschilligheid daarover is onrustbarend groot, klaagde directeur-generaal Michael Hensenne van de Internationale arbeidsorganisatie ILO begin dit jaar.

In Nederland neemt het aantal banen wel toe. Daarmee slaan we, internationaal gezien, zelfs helemaal geen gek figuur. Maar het aantal nieuwkomers - schoolverlaters, herintredende vrouwen, ex-WAO'ers en immigranten - op de arbeidsmarkt groeit net zo hard of harder. En dat blijft voorlopig ook zo, welk scenario men ook volgt.

Officieel is nu ruim 7 procent van de Nederlandse beroepsbevolking werkloos, zo'n kleine 500.000 mensen. Dat lijkt in de Europese context nog een heel redelijke score, maar dat is gezichtsbedrog. Want als we de werklozen meetellen die we in allerlei sociale regelingen verborgen houden, dan gaat het om drie tot vier keer zoveel mensen.

“In de internationale competitie sturen we een elftal in het veld, waarbij zes spelers de opdracht hebben er vijf op hun schouders mee te dragen”, is een in werkgeverskring populaire beeldspraak. De vakbeweging ziet daarin de bevestiging voor haar waarneming dat “werken tegenwoordig topsport” is. Arbeidspsychologen mogen nu uitzoeken hoe het komt dat deze sporters tegenwoordig zo vaak bekaf zijn.

De scheefgroei dateert niet van gisteren. De koningin zal, namens het kabinet, op Prinsjesdag voor de 24ste keer in successie diepe bezorgdheid uitspreken over de werkgelegenheid. De laatste jaren richt de aandacht zich vooral op de 'onderkant' van de arbeidsmarkt, waar de vooruitzichten op regulier werk het slechtst zijn.

Bijna de helft van alle werklozen is langer dan een jaar zonder betaald werk en de kans dat zij alsnog aan de slag komen wordt met de dag kleiner. Ze leggen het - welke 'prikkels' de beleidsmakers ook verzinnen - bijna altijd af tegen de nieuwkomers. Als 'boventallig' of 'onbemiddelbaar' belanden ze in de berm van het bestel.

Nochtans is er “allerminst reden het streven naar volledige werkgelegenheid op te geven”, schreef het vorig jaar aangetreden paarse kabinet in zijn Sociale Nota 1995. Het weet zich daarbij verzekerd van brede steun in parlement en samenleving. Tornen aan het arbeidsethos, dat zoveel voorspoed en geluk bracht en brengt, blijft taboe.

“Het streven naar volledige werkgelegenheid is nog altijd en onverkort een vereiste van sociale rechtvaardigheid en economische doelmatigheid”, aldus de SER, 's lands belangrijkste sociaal-economische adviesorgaan. Wie geen (betaald) werk heeft, moet werkwillig blijven, ook als de kans op een baan de facto nihil is.

Op papier is 'volledige werkgelegenheid' een fluitje van een cent. De behoefte aan werk is immers in beginsel onbeperkt. In de film Avalon van Barry Levinson verdient een arme sloeber zelfs de kost met het inlopen van nieuwe schoenen voor rijke mensen.

Maar de praktijk is weerbarstiger. In een open samenleving, die óók mikt op sociale zekerheid, veiligheid en leefbaarheid, is sommig werk te duur om te (laten) doen. Dus gebeurt het niet, of zwart, of elders. Zo blijven behoeften onvervuld, stapelt achterstallig onderhoud zich op en wordt potentiële arbeid verspild.

In zijn begin dit jaar verschenen The end of work schetst de Amerikaanse econoom Jeremy Rifkin het apocalyptische beeld van een baanloze toekomst voor velen. Door technologische ontwikkeling en globalisering raken de mensen, vroeg of laat, hun werk definitief kwijt - net zoals eerder de paarden uit de landbouw verdwenen. De verslaving aan vaste banen heeft volgens hem zijn langste tijd gehad; nu wordt het zaak het bijbehorende bestel op andere leest te schoeien.

Op Rifkins provocerende toekomstbeeld valt veel af te dingen, maar dat poetst niet weg dat de toenemende discrepantie op de arbeidsmarkt tussen pretentie en resultaat steeds absurder vormen aanneemt. De socioloog Kees Schuyt wees er in de Volkskrant op dat sanering van sociale regelingen zònder krachtig werkgelegenheidsbeleid “onbehoorlijke trekken” begint te vertonen. “Mensen hun rechten en uitkeringen ontnemen, hen wijzen op op hun eigen verantwoordelijkheid, maar tegelijk een situatie is stand houden waar er nauwelijks gelegenheid is om die eigen verantwoordelijkheid te tonen, is hypocriet.”

Is het dan niet consequenter om, althans een deel van de betrokkenen, bestaanszekerheid te bieden door niet langer te tamboereren op (onbereikbaar) werk en daaraan gerelateerd inkomen? Wellicht, maar minister Melkert (sociale zaken) zou het ervaren als een capitulatie die hij niet wenst mee te maken. In Trouw zei hij onlangs: “Op het monent dat je de band tussen inkomen en prestatie doorsnijdt, vallen er gaten in de produktie- en distributieketen die onze geldeconomie is geworden. En in die keten kun je geen schakel missen.”

Het is echter van tweeën een: òf we nemen het streven naar volledige werkgelegenheid serieus en halen “alles uit de kast” (premier Kok) om, hoe dan ook, veel meer betaald werk te scheppen. Òf we gooien die ambitie overboord en richten het arbeidsbestel radicaal anders in. Doen alsof heeft lang genoeg geduurd.