Inspectie: hulp aan jeugd niet genoeg getoetst

ROTTERDAM, 20 JULI. De kwaliteit van hulpverlening ten behoeve van jeugdigen is onvoldoende te toetsen. Dat komt doordat vaak niet wordt voldaan aan wettelijke vereisten voor bijvoorbeeld indicatiestelling en het opstellen van een behandelplan.

Dit blijkt uit het jaarverslag 1994 van de Inspectie Jeugdhulpverlening en Jeugdbescherming dat vandaag is verschenen. Het jaarverslag is het eerste van de nieuwe inspectie die sinds vorig jaar toezicht uitoefent op de door het ministerie van volksgezondheid, welzijn en sport (VWS) en de door provincies gesubsidieerde instellingen. De inspectie houdt tevens toezicht op de jeugdbescherming, die valt onder het ministerie van justitie.

De inspectie heeft vorig jaar bij instellingen van (semi)residentiële jeugdhulpverlening en pleegzorg onderzoek gedaan naar de indicatiestelling, de intake door een instelling en het hulpverleningsplan. In totaal zijn 279 instellingen benaderd. Negentig procent werkte mee aan het onderzoek.

Daaruit blijkt dat een recente indicatiestelling met betrekking tot een jeugdige vaak ontbreekt. Bij residentiële instellingen is zo'n recent oordeel in 59 procent van de gevallen niet voorhanden, bij de daghulp in 45 procent en bij de pleegzorg in 33 procent van de zaken.

Bijna alle voorzieningen stellen een hulpverleningsplan op. Er zijn echter, zo constateert de inspectie, grote verschillen in de mate waarin met betrokkenen overlegd wordt over zo'n plan en de mate waarin het resultaat daarvan wordt vastgelegd. In minder dan de helft van de gevallen wordt aandacht besteed aan de noodzaak tot overleg met cliënt of gezinsleden.

De inspectie vindt dat bij de overheden en de instellingen meer aandacht moet worden besteed aan de positie van de cliënt. Dit kan in de vorm van klachtrecht, rechtspositie van jeugdigen en de bejegening van jeugdigen en hun ouders. Het feit dat er thans nog inzageregelingen zijn die niet voldoen aan de wettelijke bepalingen, acht de Inspectie ontoelaatbaar.

De inspectie adviseert ook dat provincies en grootstedelijke regio's bij hun beleidsplannen meer rekening houden met de veranderde, multiculturele samenleving. Instellingen moeten in hun werkplannen ook beter aangeven hoe zij allochtone cliënten denken te bereiken.

In 1994 heeft de inspectie 57 schriftelijke klachten binnengekregen. Dit aantal komt overeen met het aantal in 1990, 1991 en 1992, maar is beduidend hoger dan in 1993. Het merendeel van de klachten is afkomstig van ouders of pleegouders. Zij hebben vaak het gevoel niet serieus genomen te worden en weinig invloed te hebben op de door instellingen gemaakte keuzen en beslissingen.