'Indonesische eenheid is te danken aan koloniaal bewind'

JAKARTA, 20 JULI. “Bezie ik de feiten, dan moet ik vaststellen dat we één zijn geworden dankzij de Nederlanders. Als er geen Nederlands-Indië was geweest, als deze grote geo-politieke ruimte niet door mensen als Van Heutsz was verenigd, was er nooit een Indonesië geweest.” Dit postume saluut aan de houwdegen uit Coevorden die de archipel met militaire expedities onderwierp aan het gezag van Batavia, komt uit onverdachte bron. Generaal b.d. Abdul Haris Nasution (76), voormalig 'Bataks kadet' aan de Koninklijke Militaire Academie in Bandung, dreef als guerrilla-leider de Nederlanders in 1949 naar de onderhandelingstafel. Toen verwierf de jonge republiek het soevereine gezag over dertienduizend eilanden.

Nergens anders ter wereld doen de grillen der geografie zo'n zwaar beroep op de soliditeit én de buigzaamheid van een staatsverband. 'Eenheid in verscheidenheid' is het nationale motto van Indonesië. Die eenheid, met harde hand gesmeed door de Nederlanders, is in de vijftigjarige geschiedenis van de republiek herhaaldelijk op de proef gesteld. Een reeks opstanden noopte Jakarta meer rekening te houden met de belangen van de 'buitengewesten'.

De eenheid is inmiddels een feit. Van Sabang, een marinebasis aan de noordpunt van Sumatra, tot Merauke, een regentschapshoofdstad aan de grens met Papoea Nieuw Guinea, is de rupiah het betaalmiddel, het Indonesisch de voertaal, siert het rood-wit de overheidsgebouwen en dragen de ambtenaren tijdens de maandagse vlaggeceremonie blauwe batik-hemden.

Toch wordt er verschillend gedacht over het respect voor de verscheidenheid. Het politieke en economische zwaartepunt van de archipel is nog steeds Java. Daar ligt de hoofdstad Jakarta en woont bijna tweederde van de Indonesiërs. Java levert Indonesië het leeuwedeel van zijn rijst en industrieprodukten, verreweg de meeste ambtenaren en ministers en een gestage stroom binnenlandse migranten. Die brengen dunner bevolkte gebieden buiten Java onder de karbouwenploeg, niet zelden tot ongenoegen van de oorspronkelijke bevolking. Het politieke jargon is doorspekt met Javaanse uitdrukkingen en 'Java' is op de andere eilanden een metafoor voor het centrale gezag.

De specie die de republiek bijeenhoudt, bestaat uit een nationale ideologie, een coalitie van regionale elites, een standaard-curriculum op de scholen, middelen uit de centrale ontwikkelingskas en niet in de laatste plaats de nationale taal: de Bahasa Indonesia. Wanneer dit alles faalt, zoals tijdens de opstanden in de jaren vijftig en recentere onrust in Atjeh, Irian Jaya en Oost-Timor, grijpt Jakarta naar militair machtsvertoon.

Het denkbeeld van één 'Indonesië', een verband dat de vele eilanden, volken, culturen en talen van de archipel overstijgt, ontstond in de laatste decennia van Nederlands-Indië. De koloniale staat ronselde soldaten, wierf arbeidskrachten en ambtenaren, leidde die op in enkele centra en stelde hen in heel Indië te werk. Hun horizon werd verruimd, ze ontmoetten andere 'inlanders', die een andere taal spraken en met wie ze communiceerden in het Maleis, de basis van Bahasa Indonesia. Ook al bleven ze verstoken van de burgerrechten die de Europeanen genoten, ze voelden zich deel van een groter geheel, dat het handjevol intellectuelen onder hen Indonesië noemde. Deze nationalisten van het eerste uur, die voor alle 'Indonesiërs' gelijke rechten eisten, werden verbannen naar de verste uithoeken van de kolonie.

Franciscus Xaverius (Frans) Seda behoort tot de kleine groep notabelen van de oostelijke Sunda-eilanden die een rol speelde in de Indonesische politiek. Tijdens de pacificatie van Flores, zijn geboorte-eiland, dat door de Portugezen tot het katholicisme was bekeerd, poogde Seda's grootvader de Nederlandse colonne met pijl en boog te stuiten. Vader was dorpsonderwijzer en zo kreeg Frans in 1935 toegang tot de Schakelschool in Ende, Midden-Flores, waar behalve Maleis ook Nederlands werd onderwezen. Daar maakte hij kennis met een politieke balling uit Java, die in de kost was bij pastoor Huitink en door de Endenaren op handen werd gedragen. Zijn naam was Soekarno.

Seda: “Hij zat vaak onder een boom en keek uit over de zee. Daar in Ende, vertelde hij later, besefte hij de betekenis van eenheid in verscheidenheid. Daar immers sloot hij, de moslim Soekarno, vriendschap met een katholieke priester. In 1951 bracht hij zijn eerste bezoek aan Flores als president. In Ende was een grote menigte op de been. Toen vroeg hij: waar is Huitink? Die was er nog en meldde zich nederig bij de president. Soekarno: 'Kom hier, ga naast mij staan'. Tegen de menigte zei hij: 'Dit is mijn vader en mijn broer'.”

In 1938, na een zware malaria-aanval, werd Soekarno door de Nederlanders verscheept naar Bengkulu, een stadje aan de westkust van Sumatra. In dezelfde straat woonde een jonge Batakse onderwijzer uit Noord-Sumatra, Abdul Haris Nasution. Nasution: “Ik was een regelmatige bezoeker van zijn huis. Soekarno was er balling, maar hij mocht zich in het hele district vrij bewegen. In Bengkulu ontmoette hij Fatmawati, de dochter van een plaatselijke moslim-leider, die later zijn vrouw zou worden. Ik was er kind aan huis, maar we voerden geen echte gesprekken. Voor Soekarno was een dialoog een redevoering: één man praat en de rest luistert. Het maakte wèl indruk.” De gedwongen Odyssee van de balling Soekarno smeedde nationale banden.

De politieke elite van het onafhankelijke Indonesië werd gevormd op Nederlandse scholen. Frans Seda bezocht na de Schakelschool de rooms-katholieke MULO in Muntilan, Midden-Java. Seda: “Daar ontmoette ik voor het eerst Javanen en Bataks en daar ontwaakte mijn nationale gevoel. Tijdens het internaatsleven ben ik Indonesiër geworden.”

Nasution: “Ik ging naar de kweekschool in Fort de Kock, West-Sumatra. Dat was de enige vervolgopleiding in heel westelijk Indonesië - Sumatra en West-Borneo - dus veel keus was er niet. In mei 1940 - ik was toen onderwijzer - werd Holland bezet door de Duitsers. Ik las in de krant dat men een officiersopleiding zou openen in Bandung. Dat had wèl mijn belangstelling. Als kadet ging ik nauwelijks om met Hollandse jongens, maar des te meer met mensen van de nationale beweging. De vader van mijn meisje was één van de oprichters van de Partai Indonesia Raya. Leden van de jongerenorganisatie leerde ik achter het regentschapsgebouw in Bandung marcheren. Toen dat ter ore kwam van de directeur van de Academie, luitenant-kolonel Van Altena, werd ik op het matje geroepen. “Als je dat nog een keer doet, vlieg je eruit', zei hij.”

Nasution bracht het tot chef-staf van de Indonesische strijdkrachten en Frans Seda was viermaal minister. Nasution gaf in de jaren vijftig leiding aan de militaire operaties tegen opstandelingen in West-Sumatra en Noord-Sulawesi, die hun streekbelangen zagen genegeerd en Soekarno's toenadering tot de communistische PKI afwezen. Seda reisde in 1962 op verzoek van Nasution naar Den Haag, waar hij als voorzitter van de Partai Katolik de KVP-top overreedde om het Amerikaanse Plan-Bunker voor de overdracht van Nieuw-Guinea te aanvaarden. Zo droegen beiden hun steentje bij aan de consolidering van de eenheidsstaat Indonesië.

Aloysius Benedictus Mboi, net als Seda afkomstig van Flores, ex-gouverneur van de Oostelijke Sunda-eilanden en lid van de Hoge Adviesraad, vindt dat de republiek inmiddels de gevangene is van haar eenheidsobsessie. Mboi: “In wezen denkt Jakarta Jacobijns: 'être unitariste, ça veut dire être centraliste.' In weerwil van het nationale motto - Eenheid in Verscheidenheid - wordt eenheid geassocieerd met een sterk centraal gezag en uniformiteit. Men negeert de interregionale verschillen. We hebben hier te maken met een erfzonde. De Hollanders regeerden deze pluriforme archipel als een centralistische eenheidsstaat. Zij omhelsden de federatieve staatsvorm pas aan de vooravond van de soevereiniteitsoverdracht. Dat werd toen natuurlijk uitgelegd als verdeel en heers. Waarom nu pas, vroeg Indonesië. Begrijpelijk. Toch snijdt het denkbeeld hout, want dit land heeft alle ingrediënten voor een federatieve opbouw.”

Die eenheidsobsessie staat op gespannen voet met artikel 18 van de grondwet van 1945, dat rept van 'naleving van het overlegbeginsel' en 'respect voor de traditionele rechten van de regio's'. In 1974 nam het parlement een wet aan op de regionale autonomie en pas in april dit jaar begon Jakarta een experiment met uitgebreidere bevoegdheden voor 26 van de 300 regentschappen.

Mboi is sceptisch. Op dit moment kent Indonesië nauwelijks regionale autonomie, slechts 5 tot 10 procent van de regionale besturen heeft zeggenschap over het eigen budget. Bovendien houdt Jakarta over driekwart van de beleidsterreinen het toezicht in eigen hand, zo stelt hij. “Autonomie is de bevoegdheid tot regelen, inclusief besluitvorming en planning. Het gaat niet zozeer om honderd procent eigen inkomsten, maar om de vrijheid de inkomsten naar eigen inzicht aan te wenden.”