In Liefde Bloeyende

MOEDER (II)

Ik zat met moeder aan de haard, zij breide

en ik deed niets dan cigaretten roken.

Ze zei: jongen, je moet niet zoveel roken;

je moet er vanaf morgen mee uitscheiden.

Ik ben het haardvuur nog wat op gaan stoken;

horende hoe het zachtjes in mij schreide

omdat het niet kon worden uitgesproken

wat zich vlakbij voor eeuwig wou bevrijden.

Gerrit Achterberg (1905-1962)

Sommige gedichten zijn zo teer dat ze eigenlijk geen interpretatie of commentaar verdragen: een gestold moment, een zielstoestand, een snelle wiekslag door de dichter in woorden gevangen - we kunnen er als lezer deelgenoot van zijn, maar bij iedere poging tot uitleg verdwijnt de sensatie. Vaak zien zulke gedichten er bedrieglijk simpel uit, alsof de dichter de lezer al bij voorbaat wilde waarschuwen dat hij er niet, met woordenboek en encyclopedie gewapend, iets diepers achter moet zoeken, maar dat de teerheid in de sensatie zelf ligt.

In het geheim dat, ontcijferd, geen geheim meer zou zijn.

Simpeler dan dit Moeder van Achterberg kan een gedicht er toch al niet uitzien. Men breit, men rookt een sigaret, men port de kachel op. Het hele vers kent maar twee rijmklanken. Roken rijmt daarbij nog eens gewoon op roken. De zin die de breiende moeder aan de haard tot haar kettingrokende zoon spreekt is van een verbluffende alledaagsheid.

Maar wij die dit gedicht lezen worden - we kunnen het niet ontkennen - de deelgenoot van een bijzonder sterke emotie. Hier zit een zoon bij zijn moeder, in intieme sfeer: de moeder spreekt en praat er omheen, de zoon wil spreken en zwijgt. Maar tegelijkertijd is zij bezorgd om zijn kostbaarste en ultieme goed, zijn gezondheid, zijn leven; en weet hij met moeite zijn tranen te onderdrukken over zijn onmacht haar het duurste en ultiemste wat in hem is te bekennen. Twee gesloten naturen, dicht bij elkaar; de een slaat een snaar los bij de ander, zonder er zich van bewust te lijken, de ander laat zijn enige en misschien laatste kans onbenut om in de magische sfeer van moeder-zoon-intimiteit snaar bij snaar te voegen, en is zich daarvan maar al te goed bewust.

Zo vertrouwelijk, en elkaar zo vreemd. Niet breiwerk en haardvuur vormen hun woordeloze gespreksonderwerp, maar de dood die de vijand van de liefde en de liefde die de vriend van de dood is. Geraffineerd weet de dichter het beeld te versterken van een moeder die eenvoudig van hart is en in-goed (door het quasi onbeholpen rijke rijm en de manier waarop zij zich, al sprekend, niet aan de versvoeten stoort) en van een zoon die zich in meerdere opzichten de gevangene voelt van zijn onmacht (door het vlakbij in de laatste regel opzettelijk een beetje vaag te houden: iets vlakbij 'in hem' dat zich wil bevrijden en dat hij zelf observeert, maar ook een vlakbij dat 'zo dicht bij moeder' kan betekenen). Kleine ingrepen die een optimaal effect sorteren, net zoals de algehele banaliteit van het decor, de woorden en de handelingen de emotie haast ondraaglijk maken.

Het woord moeder hoort van nature thuis in het rijtje sterke woorden als dood, liefde, oorlog, vlinder, steen, heelal. Zo komt het bij Hugo Claus

Toen gij schreeuwde en uw

vel beefde

vatten mijn beenderen vuur

en Martinus Nijhoff

k Sta aan je graf als jij eens aan mijn wieg

ook voor. Maar blijkbaar bezweert men moeders in de po-

ezie net zo goed door er de meest simpele, de meest huiselijke begrippen tegenover te stellen. Breipennen, kachelpook. Het mysterie van het ultieme blijft. Of wordt door het contrast juist versterkt.

Enkele weken geleden heb ik mijn moeder begraven. Het maakt dit gedicht op dit ogenblik extra dierbaar voor me. Elke regel ervan gaat over haar en over mezelf.

Ik weet dat je gedichten niet zo mag lezen. Ik weet dat er een loodzwaar taboe op rust op het betrekken van poëzie op je zelf. Dat het bijna heiligschennis is, iets crimineels in de kunst.

Poëzie is er voor het intellectuele spel en het verruimde kunstbegrip, zo luidt de correcte opvatting, en niet voor de begeleiding van geboorten, bruiloften en begrafenissen. Ik ben zo vrij me daar niets van aan te trekken. En bovendien: is poëzie ooit iets anders geweest? Van de oudste tijden af heeft ze gediend als bezwering en ritualisering van (te) sterke emoties.

Of het volgens de modernistische maatstaven wel is toegestaan in de kunst op zoiets ordinairs als herkenning van jezelf uit te zijn, of van je gedroomde zelf, ik heb er lak aan. Dit is een gelegenheidsgedicht voor mijn gelegenheid.

Het persoonlijke - de dood van mijn moeder - maakt dat ik des te huiveriger sta tegenover elke poging tot uitleg van dit gedicht. Het tere web van de emotie mag niet breken, tot geen prijs. Altijd is daar het onuitgesprokene geweest tussen mijn moeder en mij, zoals tussen de man en de moeder uit dit gedicht, altijd dat gemis, dat besef van een verloren kans toen ze nog leefde. En nu ze dood is, is er die onherroepelijk verloren kans - die onmogelijkheid, voorgoed, om in haar nabijheid zelfs maar te vluchten in een mechanische handeling als het opstoken van een vuurtje.

Misschien is het werkelijk schrijnende wel dat ik nu besef dat het al bij mijn geboorte moet zijn begonnen, dat zachtjes schreien om wat 'niet kon worden uitgesproken', dat het gemis en de onmacht toen als het ware al waren beklonken, en dat haar dood wat dat betreft bitter weinig heeft opgelost.

Heb erbarmen, god van de poëzie.

En met roken ben ik ook al opgehouden.