Gods lof zingen in de marge van een handschrift

Tentoonstelling Middeleeuwse boeken uit Zwolle. T/m 30 juli. Provinciaal Overijssels Museum, Voorstraat 34, Zwolle. Di t/m za 10-17u, zo 14-17u. Boekje: Een getijdenboek uit het klooster Thabor: ƒ 7,50

Met een heel rank pennetje heeft de monnik de lijnen gezet. In rood, en blauw zwieren ze langs de letters van het boek. Later heeft iemand er nog decoraties aan toegevoegd. Het eerste deel van de Opera van kerkvader Ambrosius (ca 339-397), een boekband gedrukt in 1492 bij Johann Amerbach in Basel, lijkt op z'n kant verluchtigd. De devote tekenaar heeft de bladen een slag gedraaid, zodat de marge langs de regels als een horizontale lege balk voor hem kwam te liggen en de regels zelf verticale pilaren leken. Zo ging hij aan de slag, en het lijkt alsof hij uit de regels planten liet groeien.

Het eerste Opus van Ambrosius is een van de vijfenzeventig versierde vijftiende- en zestiende-eeuwse handschriften en drukken uit de IJsselstreek die op een kleine maar voorbeeldige tentoonstelling in Zwolle te zien zijn. Ambrosius' druk is een relatief goedkoop boek geweest, dat zie je aan het gebruik van slechts het pennetje en de rode en blauwe inkt om de versieringen aan te brengen. Geen dekverf, geen verguldsel, miniaturen of gekleurde houtsnedes komen eraan te pas. Maar toch slaagde de anonieme tekenaar erin een wilde tuin in de kantlijn te laten gedijen.

Zwolle, dat in de late middeleeuwen een centrum was van De Moderne Devotie, een religieuze hervormingsbeweging in de veertiende eeuw opgericht door Geert Grote, kende een bloeiend cultureel leven met een uitstraling tot buiten de landsgrenzen. De volgelingen van Grote kopieerden in de Zwolse fraterhuizen handschriften en drukten sinds de jaren zeventig van de vijftiende eeuw boeken, niet alleen voor eigen gebruik, maar ook voor de verkoop. Sommige, bestemd voor henzelf, waren heel sober vormgegeven zoals de regels van de gemeenschap voorschreven, andere waren juist heel luxueus en uitbundig.

Op de tentoonstelling wordt het hele proces van het vervaardigen van boeken - van het preparen van het perkament en het voorbewerken van papier, het vouwen van katernen, liniëren en formaatmaken tot het aanbrengen van de eindversiering - uitgelegd. Dat kan langdradig of saai worden gebracht, maar niet in het Overijssels Museum. Steeds wordt aan de hand van duidelijke en fraaie voorbeelden geïllustreerd wat er op tekstbordjes geschreven staat. In de Sermoenen van Bernard van Clairvaux bijvoorbeeld uit het eerste kwart van de vijftiende eeuw is op het eenvoudig bewerkte perkament nog duidelijk de tekening van het beest te zien dat z'n huid voor het perkament moest geven. En gaten die in het bewerkte leer zijn gevallen, worden soms grappig verfraaid met een rood biesje, soms ook gelapt als schoenen. Een handschrift met heiligenlevens dat in 1394 gemaakt is in het kapittelklooster Windesheim, vlak bij Zwolle, toont een flinke ritssluiting, een grof dichtgestikte scheur, diagonaal over de pagina. Verschrijvingen, knullige reparaties, vochtplekken en bladzijden met ezelsbruggetjes genoteerd in een studieboek: door dit soort details te tonen, gaan de boeken voor de kijker 'leven'.

Pronkstukken zijn er ook, zoals de prachtig verluchte Sarijs-handschriften, een verzameling kleine getijden- en gebedenboeken die door navolgers van Zwolse meesters gemaakt zijn en waar de laatste zaal van de tentoonstelling aan gewijd is. Onmogelijk te negeren is de enorme, wel een halve meter metende bijbel die door de universiteit van Utrecht in bruikleen is afgestaan. Deze uit zes delen bestaande bijbel werd geschreven tussen 1464 en 1476 door één enkele Zwolse frater, Jacobus van Enkhuizen. Het geëxposeerde blad van dit reuzenwerk toont het visioen van Ezechiël, zoals beschreven in het Oude Testament. In een prachtig gehistorieerde initiaal zie je tegen een achtergrond van groene heuvels, blauw struikgewas en een bladgouden hemel het volk van Israël herrijzen. Een wereld in miniatuurformaat.

Maar met één zo'n kunstig opgevulde beginkapitaal was broeder Jacobus lang niet tevreden: ook de marges van ieder blad schilderde hij vol. Langs een gouden staf slingeren roze trompetbloemen en guirlandes, en waar twee gebogen lijnen een open plek - hoe piepklein ook - omarmen, glanzen perfect ronde gouden stipjes. Toen pas, zo vond Jacobus, was Gods lof voldoende gezongen.