Fysische intuïtie van obers lijkt toch in orde

De natuurkunde-literatuur kent talrijke voorbeelden van het verschijnsel dat onze intuïtie in conflict komt met de harde fysische werkelijkheid. Stel, we hebben twee identieke kogels, één ervan schieten we horizontaal met grote snelheid weg en de andere laten we van dezelfde hoogte op de grond vallen. Welke is het eerst beneden? Of neem een touw dat zo lang is dat het precies rond de aarde past. Als we dat touw een meter langer maken, hoe ver komt het dan overal van de aarde af te staan? Doe eerst een gok en probeer het vervolgens uit te rekenen. Het antwoord zal u verbazen! Van jongs af aan hebben we met vallen en opstaan moeten leren hoe de wereld in elkaar zit. Kinderen leren door ervaring en door af te gaan op autoriteit en eigen intuïtie. Dit leidt uiteindelijk tot een 'gezond-verstand' beeld van de wereld, maar dat is niet altijd 'wetenschappelijk' verantwoord.

Het was de Zwitserse psycholoog Jean Piaget die als geen ander de cognitieve ontwikkeling van het kind in kaart heeft gebracht. Hij ontwikkelde een groot aantal, meestal simpele testjes voor kinderen van verschillende leeftijden. Aan de hand van de resultaten van jarenlang zorgvuldig waarnemen stelde hij een gedetailleerde, maar ook controversiële theorie op over de manier waarop kinderen de wereld om hen heen interpreteren en zich daaraan leren aan te passen. Piaget onderscheidde een aantal duidelijk verschillende ontwikkelingsfasen. Zo maken tussen het zevende en twaalfde levensjaar kinderen zich conservatie-principes eigen, bijvoorbeeld dat een lange, dunne cylinder evenveel vloeistof kan bevatten als een korte dikke. Ook beginnen ze bepaalde logische handelingen te verrichten, en kunnen ze bijvoorbeeld een serie gewichten op volgorde leggen.

Eén van de tests die Piaget in het begin van de jaren vijftig verzon is die waarbij het de bedoeling is om het vloeistofniveau in een schuin gehouden beker aan te geven. Dat is vreemd genoeg zelfs voor veel volwassenen nog altijd een moeilijk probleem. Bovendien is er ook een opmerkelijk verschil tussen de seksen: mannen komen veel vaker met het juiste antwoord dan vrouwen. Twee Amerikaanse onderzoekers hebben onlangs geprobeerd om uit te vinden in hoeverre mensen die gewend zijn om te gaan met kannen en bekers gevuld met vloeistof, beter scoren op de test. In Psychological Science (maart 1995, pagina 90) doen ze verslag van hun bevindingen. En die waren opmerkelijk, want ervaring blijkt wel degelijk van invloed, alleen werkt het de verkeerde kant op. Systematisch plaatsten huisvrouwen, vrachtwagenchauffeurs en studenten het vloeistofniveau onder een kleinere hoek met de horizontaal dan 'ervaren' barkeepers of serveersters bij het Münchener Oktoberfest. Volgens de onderzoekers bekijken deze laatsten het probleem namelijk veel meer uit het standpunt van het object in plaats van ten opzichte van de omgeving. De grotere afwijkingen zouden dus ontstaan omdat de 'experts' de bodem van de kan als referentie nemen.

Science besteedde eind april aandacht aan de resultaten van dit onderzoek en dat leverde een opvallende reactie op in de brievenrubriek. Kirk McDonald, een natuurkundige van Princeton University komt daarin met een alternatieve, en misschien wel veel plausibeler verklaring. Hij merkt terecht op dat bij het verplaatsen van bijvoorbeeld gevulde glazen de vloeistof onderhevig kan zijn aan sterke versnellingen en vertragingen. Wil een ober dan ook voorkomen dat hij morsend bij een tafeltje aankomt, dan doet hij er goed aan om bij het afremmen de glazen schuin te houden. McDonald rekent voor dat versnellingen van de orde van die van de zwaartekracht op kunnen treden, hetgeen het noodzakelijk zou maken om een glas wel zo'n 40 graden scheef te houden. Dat effect zou onbewust een belangrijke rol kunnen hebben gespeeld. Het wachten is nu op reacties van in de horeca bijverdienende natuurkundigen.