Een koeienhater in Kenia

'De Europese koe is de oorzaak van de verwoestijning in Afrika', zegt David Hopcraft. 'Je kunt beter Afrikaans wild fokken.' In Oost-Afrika zijn al vijftig 'boerderijen' die werken met game ranching.

Zelfverzekerd en breed lachend zit de Omar Sharif-lookalike achter zijn bureau. Het kantoor op de eerste verdieping van een luxe bungalow kijkt over zijn opvallend groene privé-wildpark. Hopcraft noemt het liever een wild-boerderij, een game-ranch. Met een beetje geluk zie je zijn vee over de savannen trekken: gazellen, antilopen, giraffen, zebra's en andere beschermde diersoorten die doorgaans alleen nog maar in reservaten te bewonderen zijn. Hier worden ze geschoten, in de eigen slachterij verwerkt en verkocht aan voornamelijk door toeristen bezochte restaurants.

Handig en voortdurend met beeldspraken strooiend pareert Hopcraft de kritische vragen. Hoewel zijn houding, stijl en queens-english Engelser zijn dan ergens op de Britse eilanden kan worden aangetroffen, is hij een geboren en getogen Keniaan. Hij groeide op in het gebied rond de Rift Valley noordelijker van Nairobi, waar zijn overgrootvader als emigrant op weg naar Australië ooit was gestrand.

'Ik herinner me dat alles er groen en weelderig was en vol leven. Maar naarmate ik ouder werd veranderde dat. Er kwamen perioden dat ik het zand over de vlaktes zag waaien. Aanvankelijk accepteerde ik de algemeen geldende verklaring dat het land overbegraasd was. Maar hoe meer ik daarover nadacht, hoe sterker ik tot de overtuiging kwam dat dat niet waar kon zijn. Want op de boerderijen liepen minder beesten dan er vroeger in het wild leefden.'

Hopcraft kwam tot de conclusie dat niet het aantal maar de diersoort het verschil uitmaakte. Dan nog zou overbegrazing de verklaring kunnen zijn, indien koeien aanmerkelijk meer zouden eten dan andere runderen, maar ook dat bleek niet de doorslaggevende factor. Dus besloot de jonge Hopcraft naar de werkelijke oorzaken op zoek te gaan.

Waterhuishouding

Tijdens zijn studie aan de London University, het Beria College in Kentucky en tenslotte Cornell University waar hij zijn Masters Degree haalde, leerde hij alles over huisvee, over vegetatie, irrigatie en zo voort, maar opvallend weinig over wilde dieren. Hopcraft: 'Terwijl er bibliotheken vol staan met studies over koeien, is er nauwelijks een fatsoenlijk boek geschreven over gazellen of antilopen.'

'Ik ben daarom zelf onderzoekingen gaan doen en ik kwam tot enkele verrassende conclusies, vooral wat betreft de waterhuishouding van die dieren. Wist je dat gazellen, hartebeesten, zebra's, impala's en al die andere rundersoorten die hier lopen, nauwelijks hoeven te drinken? Om te beginnen hebben ze een wisselende lichaamstemperatuur die zich aanpast aan de omgeving. Dat betekent dat ze niet zweten, zoals wij en zoals koeien. Als ze plassen duurt dat een paar seconden. Koeien staan minutenlang te urineren. De uitwerpselen van wild zijn gortdroge keutels vol voedingswaarde voor de grond. Koeievlaaien zijn kletsnatte plakken vol schadelijke zuren. Daar begint het al mee.'

Zijn betoog gaat verder. Over een- en tweejarige grassen, die door de kieskeurige koeien worden weggevreten zodat ze zich niet uitzaaien. Over het heen en weer gestamp van huisvee, voortdurend op zoek naar drinkplaatsen, waardoor de grond verdicht en de aarde zijn sponswerking verliest. 'Ga maar kijken op traditionele boerderijen hier in de omgeving. Na een tropische regenbui staan daar dagenlang plassen. Op deze ranch is het water in minder dan een uur weg - opgeslagen in de bodem.'

De gevolgen zijn groot. 'Negentig procent van het aardse leven speelt zich onder de grond af. De miljoenen micro-organismen en insekten houden het land rijk en vitaal. Als dat wegsterft, als bovendien het gras weggevreten wordt, en als het zand door droogte word weggeblazen, kan er nooit meer nieuw leven ontstaan. Kijk naar de Sahel. En kijk naar gebieden elders in de wereld; in de Verenigde Staten, in Zuid-Amerika, Centraal Azië, China, Australië, overal zie je hetzelfde probleem. Overal waar koeien worden gehouden, treedt verwoestijning op.

Op de plaats waar nu zijn ranch staat, zo'n veertig kilometer ten oosten van Nairobi op de Athi Kapiti Plains, kocht Hopcraft vijfentwintig jaar geleden 300 acres (ruim 120 ha) grond dat hij in twee stukken deelde. Op de ene helft hield hij koeien, op de ander ngombe yao ndunie, zoals dat in het swahili heet: vee van het land. In de praktijk werd zijn theorie bewezen. De grond met huisvee verdroogde en de vegetatie verdorde. Het land met wildvee leefde zelfs wat op. Op basis van die resultaten kreeg hij van de Keniaanse overheid een speciale vergunning zijn experiment uit te breiden.

'Natuurlijk was er veel tegenstand, vooral van de zogenaamde natuurbeschermers. Maar die hebben niet meer dan een computer en een grote bek; ze weten niet waar ze het over hebben, die bambi-lovers en tree-huggers.'

In menig opzicht lijken zijn argumenten op die van de Nederlandse jagers, die beweren dat dankzij hun geweren de wildstand tegen uitsterven behoed wordt: 'Het laatste wat je moet doen om wild te beschermen is er tralies omheen zetten. Conserveren is gebruiken en managen,' zegt Hopcraft. Maar hij benadrukt dat managen iets anders is dan jagen. 'Wij selecteren de beesten die we schieten. En we jagen nooit op roofdieren, zoals de conventionele boeren juist wel doen om hun weerloze koeien te beschermen. Hier lopen de leeuwen, de luipaarden en puma's vrij rond. Die paar beesten die zij roven is maar een klein percentage van het totaal. En ook zij houden het natuurlijk evenwicht in stand. Zij pakken vaak de zwakkeren en de vrouwtjes, omdat ze bang zijn van de mannetjes met hun grote geweien. In werkelijkheid zijn de vrouwtjes echter veel sterker dan de mannetjes en daardoor talrijker. Een droogteperiode overleven ze veel makkelijker dan de stieren, waardoor nadien het natuurlijk wildbestand heel snel herstelt.'

Sinds 1977 meet de Game Ranch 8000 acres (ruim 3200 ha), waarop twintigduizend exemplaren van vijftien zeldzame wildsoorten vrijelijk leven. Wat in het klein al bewezen was, bleek ook in het groot te werken. 'Toen je hier naartoe kwam rijden, heb je het verschil toch zeker zelf wel gezien?' vraagt hij retorisch. 'Ook dit gebied dreigde achttien jaar geleden te verdorren. Nu halen we dagelijks ons vlees van het land terwijl de wildstand en de vegetatie even rijk en gevarieerd blijft.'

Hopcraft wil het graag doen voorkomen, alsof hij alles in dienst doet van de Afrikaanse flora en fauna. 'Toen ik twintig jaar geleden bij de bank kwam met de mededeling dat ik een boerderij wilde beginnen, zei de man tegen me: 'Je weet toch dat er maar één manier is om in Afrika aan een boerderij een klein fortuintje over te houden? Dat is beginnen met een groot fortuin!' Ik hàd redelijk wat geld en dat heb ik dus maar belegd. Daarvan kan ik leven en ben vrij om deze boerderij te leiden.' Toch zijn de economische voordelen van game-ranching voor hem en zeker voor de Keniaanse overheid minstens zo belangrijk. 'In koeien moet je alleen maar investeren.' rekent Hopcraft voor, 'je moet stallen bouwen, je moet ze bijvoederen, je moet de mest opruimen, ze lopen ziekten op die worden overgebracht door de tetsi- en valeria-vliegen. Het wild heeft een natuurlijke weerstand opgebouwd, maar die koeien moeten steeds weer gevaccineerd worden en dan nog worden er veel ziek. Dat zijn allemaal kosten die ik niet maak.'

Huiden

Daar staan ook nog eens hogere opbrengsten tegenover. Per acre (4047 m) per jaar levert een gazelle 6.6 kilo schoon vlees op, tegenover 3,5 kilo bij een koe. Ten aanzien van huiden, die Hopcraft sinds kort mag verhandelen, is de verhouding nog gunstiger, zeker doordat koeiehuiden minder waard zijn. Vier dollar koeieleer per acre per jaar staat tegenover honderdtwintig dollar aan wildleer. Bovendien zijn er de inkomsten van workshops, lezingen, begeleiding van studenten (ook uit Wageningen) en niet te vergeten de safari's die toeristen op de ranch kunnen boeken. 'Toerisme is een goede bron van inkomsten voor dit land,' verdedigt Hopcraft de verhuur van lodges aan jagers. En wij begeleiden ze; geen dier lijdt onnodig.'

Inmiddels zijn mede op verzoek van de Keniaanse regering en die van Tanzania, Zambia, Malawi en Botswana nog eens een vijftigtal op de Game Ranch lijkende, experimentele projecten opgezet. 'Dan hebben we het in totaal dus over zo'n 600 duizend tot een miljoen dieren!' zegt Hopcraft veelbetekenend. De vraag is evenwel, als dat aantal verder groeit en deze methode van veehouden gemeengoed gaat worden, of er dan niet eenzelfde soort industrie zal ontstaan als in de klassieke veeteelt. Of er dan geen boeren zullen zijn die nog meer willen omzetten, en dus meer gaan schieten. Die zebra's of impala's er speciaal voor gaan fokken.

'Het evenwicht is essentieel,' beaamt Hopcraft, 'de Afrikaanse diersoorten zijn moeilijk te domesticeren - je kunt ze niet zomaar in een stal stoppen en ermee gaan fokken - maar in de kern heb je gelijk; er zullen regels gemaakt moeten worden, quota gesteld.'