Een beter geschenk voor Indonesië

Binnenkort brengt koningin Beatrix een bezoek aan Indonesië. Als 'nationaal geschenk' zal zij een koopmanshuis aanbieden. Passender zou zijn het Zoölogisch Museum Bogor te steunen.

Honderd jaar geleden werd het Museum Zoologicum Bogoriense in Indonesië gesticht door Nederlanders. Vitrines met diorama's, die meer dan vijftig jaar geleden vervaardigd zijn, kunnen tot op de dag van heden nog worden bewonderd. Alle dagen is het museum bomvol, vooral met schoolkinderen. Honderden neusjes worden platgedrukt tegen het glas van de vitrines, dat volgens de jaarverslagen zelfs weleens onder de druk bezwijkt. Opgewonden kreten van 'oh', 'aduh' en 'illa'llah' zijn niet van de lucht. Een jongetje maakt in een schoolschrift een lijst van Javaanse gifslangen, een ander schrijft de verspreiding van vlinders in de archipel op. Een meisje met twee zwarte vlechten voorzien van grote, rose strikken ligt op haar knieën voor de badak (neushoorn) en maakt een keurige tekening van de voet met tenen voor een werkstuk.

Er is de laatste tijd veel aandacht besteed aan Indonesië en nu het 50-jarig jubileum van de onafhankelijkheidsverklaring nadert, ontstond het plan om dit land een 'Nationaal geschenk' aan te bieden. Gekozen werd voor de restauratie van het 18de eeuwse patriciërshuis van de opperkoopman Reinier de Klerk (1710- 1780) te Jakarta. Koningin Beatrix zou dit tijdens haar bezoek op 21 augustus symbolisch aan de Indonesiërs kunnen overdragen. Zeker een goed bedoeld voornemen. Toch zou ik een andere suggestie willen doen.

In 1994 ging aan de Nederlandse media en kranten geheel onopgemerkt voorbij het 100-jarig jubileum van het Museum Zoologicum Bogoriense te Bogor, een instelling gesticht door Nederlanders. Dit ondanks de uitgifte van twee speciale postzegels, één met de afbeelding van een walvis, de andere met een neushoorn, beide voorzien van het museumlogo met de tekst 'In solitude fors'. De zegels herinneren aan de initiatieven van Nederlandse museummedewerkers. De eerste, de preservering van het geraamte van een blauwe vinvis van 32 meter lengte die in december 1916 aanspoelde aan de zuidkust van Java en nog steeds in het museum is te bewonderen. De tweede, de zekerstelling in 1932 van een buiten het Ujungkulon-reservaat levende neushoorn (Rhinoceros sondaicus) op Java, een solitaire bul, ten behoeve van de wetenschap.

Hoewel het Museum Zoologicum Bogoriense niet het oudste museum in Zuidoost-Azië is - het Sarawak Museum werd al in 1891 opgericht door Rayah Sir Charles Brooke II - heeft het een lange geschiedenis. De 's Lands Plantentuin te Buitenzorg (Bogor) werd in 1817 gesticht door C.G.C. Reinwardt als een eenvoudige kruidtuin, maar kreeg zijn wetenschappelijke functie onder de leiding van Melchior Treub in de jaren 1880 tot 1910. Op aandringen van Treub werd in 1894 dr. J.C. Koningsberger benoemd tot landbouwkundig zoöloog bij de 's Lands Plantentuin.

Aanvankelijk werd Koningsberger uit particuliere fondsen bezoldigd. De locatie die hem ter beschikking werd gesteld onder de weidse naam Landbouw-zoölogisch Laboratorium, was het voormalige koetshuis. De kisten en bloempotten werden er uitgehaald, de vloer gecementeerd en er kwam gas- en waterleiding.

Koningsberger wijdde zich aanvankelijk aan de studie van dierlijke parasieten van koffie, rijst, peper, tabak, cacao, enz. Tijdens het werk bleek dat er weinig bekend was over de fauna van Java en dat er behoefte bestond aan een standaardcollectie als hulp bij het determineren. Een jaar later was die collectie al zo uitgebreid dat een catalogus moest worden gemaakt. Ondertussen was Koningsberger in 's Landsdienst overgegaan.

Koningsberger was een harde werker en een goed compilator. In zijn periode verschenen boekjes over de fauna van Java: 'De zoogdieren van Java' (1902), 'De Vogels van Java' (1909) en later een meer verhalende studie-serie 'Java. Zoölogisch en Biologisch' (1911-1915), waarin ook andere diergroepen zoals insekten behandeld werden in meer onderlinge samenhang. Een soort ecologische studie, waarmee hij zijn tijd ver vooruit was. In 1910 werd Koningsberger Directeur van 's Lands Plantentuin, maar bleef ook hoofd van het Zoölogisch Museum. Later werd hij lid en vervolgens voorzitter van de Volksraad en in 1928 zelfs Minister van Koloniën.

In 1905 werd als onderafdeling van het Museum een klein laboratorium voor marien onderzoek te Tanjungpriok (Jakarta) gesticht, dat later uitgroeide tot het Laboratorium voor het Onderzoek der Zee. Ondertussen waren de zoölogische collecties van het museum zodanig gegroeid, vooral door de aankoop van de grote vogelverzameling van dr A.G. Vorderman - een arts in 's Landsdienst met vogelkundige interesse - dat een beter beheer van de collectie noodzakelijk werd.

Een belangrijk keerpunt was de aanstelling in 1905 van P.A. Ouwens, gepensioneerd majoor der KNIL, als conservator, een man die alom bekend was om zijn grote liefde voor de dierenwereld. 'De majoor' zoals hij overal heette, heeft deze taak ruim zestien jaren vervuld tot hij in 1921 op 72-jarige leeftijd met zijn tweede pensioen ging. In zijn tijd werd het museum verschillende keren verbouwd. In de jaren 1907, 1910 en 1914 werd de expositie-ruimte aanzienlijk vergroot.

Majoor Ouwens en zijn assistent W. Reuter gaven de aanzet tot de berging van het geraamte van de grote walvis (Balaenoptera musculus), die in 1916 strandde bij Pameungpeuk aan de zuidkust van Java. Dit karwei had veel voeten in de aarde, 6390 kg beenderen moesten vanaf het strand in geaccidenteerd terrein 1700 meter hoog, zonder wegen of bruggen met mankracht naar Garut gebracht worden, waarna ze per spoor naar Bogor gestuurd konden worden. Het prachtige skelet, opgesteld in een speciale loods, is nog steeds een blikvanger van het museum.

De majoor had thuis een uitgebreid dierenpark. Men kon hem vaak in de plantentuin zien wandelen met een zelf gefokte Celebese gemsbuffel (Anoa) of een tam pantertje. Op zondag was Ouwens steevast in het museum te vinden omringd door Indonesische schoolkinderen die urenlang uitleg kregen hoe vriendelijk deze dieren waren.

Hoewel Ouwens amateur was, bezat hij een gedegen wetenschappelijke kennis van de Indonesische fauna. Hij schreef een prachtig geïllustreerd werk over gifslangen. Hij ontdekte in 1912 de Komodo-varaan (Varanus komodoensis) en publiceerde daarover in een botanisch tijdschrift (Bulletin Jardin Botanique Buitenzorg). Hij was ook de eerste, die deze varanen levend naar Java bracht. Het verhaal gaat dat de douane moeilijkheden maakte, maar dat 'de majoor' zó gebulderd heeft, dat je hem vanaf het museum tot de 'Witte Paal' zo'n 2 km verderop kon horen.

Bijeen gepropt

De benoeming van dr K.W. Dammerman als directeur van het museum in 1919 leidde een nieuwe periode in het bestaan van het museum in. Dammerman gaf de aanstoot tot modernisering van de openbare collectie. Zaten vroeger alle vogels en zoogdieren bijeen gepropt in grote zeshoekige vitrines, Dammerman was voorstander van meer biologisch verantwoorde diorama's met slechts enkele dieren in hun biotoop. Dit leidde in 1922 tot de aanstelling van een speciale taxidermist P.F. Franck, een Duitser. Bovendien wist Dammerman te bereiken dat het taxonomisch onderzoek verdiept werd door de aanstelling van specialisten, zoals H.C. Siebers voor vogels, J.K. de Jong voor reptielen, H.H. Karny voor insekten, mej. Tera van Benthem Jutting voor schelpdieren (uitgeleend door Amsterdam) en door het aantrekken van buitenlandse gastonderzoekers (Heinrich, Stein, von Plessen, Bristowe, Cheesman, etc.). Er kwam een grondige wetenschappelijke studie van de collecties tot stand en de verzamelingen werden sterk uitgebreid. Het was een bloeiperiode, ondanks de economische crisis.

De uitbreiding van de collecties was zo omvangrijk dat in 1924/25 een bovenverdieping werd gebouwd, de zogenaamde 'kamar panas', een droge/warme ruimte, wat een ruimtevergroting van 96 m betekende. De afdeling taxidermie vond na enige moeilijkheden tenslotte onderdak in de oude drukkerij van het Departement naast het museum. Deze lokaliteit bood voldoende ruimte voor de bewerking van huiden en het opzetten van grote dieren.

Het was Franck die met de houtvester F.J. Appelman de Javaanse neushoorn in 1934 voor het museum veilig stelde. Deze kolos van 2280 kg is nu nog een van de topstukken van de showcollectie. P.F. Franck was een stille en deskundige man, die altijd voor anderen, ook voor jonge mensen openstond. Ik dank aan hem mijn eerste lessen in het prepareren van dieren. Franck was Duitser maar had absoluut geen nazisympathieën. Desondanks werd hij in 1939 door overijverige ambtenaren geïnterneerd en daarna gedeporteerd. Hij verdronk, opgesloten in een kooi, bij de torpedering van het schip de Van Imhoff voor de kust van Sumatra. De bemanning van de Van Imhoff had voldoende reddingsboten en bracht zichzelf in veiligheid. Maar de geïnterneerden, veelal oudere, volkomen onschuldige mensen, werden in vergrendelde kooien op het zinkende schip achtergelaten. De schuldigen van dit onmenselijk handelen zijn nooit gestraft. Hetzelfde lot onderging ook de Balinese schilder Walter Spies (eveneens een 'etnische Duitser'), aan wie het Bogormuseum veel materiaal te danken heeft, zowel in de vorm van objecten als aquarellen (vooral van insekten en libellen). De nagedachtenis van deze schilder wordt nu geëerd door de Stichting Walter Spies Holland.

In 1939 vertrok Dammerman naar Holland en werd M.A. Lieftinck hoofd van het museum. Zonder overdrijving kan men zeggen dat Lieftinck een genie was, zowel op wetenschappelijk als diplomatiek gebied.

Maurits Lieftinck kwam in 1929 naar Bogor als zoöloog/entomoloog. Hij had biologie gestudeerd in Amsterdam, maar heeft nooit een academisch examen afgelegd. Gestimuleerd door zijn leraar op het Amsterdams Lyceum dr. J. Heimans (later hoogleraar) wierp hij zich op de studie van libellen (Odonata). Op 21-jarige leeftijd schreef hij een uitvoerige studie over de libellen van Nederland, nog steeds een klassieker. Met C.G.G.J. van Steenis was hij een van de oprichters van de NJN (Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie) en schreef hij al op jonge leeftijd artikelen in 'De Levende Natuur'. Daarnaast was Lieftinck een uitstekend politicus en had hij grote mensenkennis. Hij gaf mij, ik was toen een jongen van 16 jaar, een geweer van het museum in bruikleen (welke museumdirecteur zou dit wagen?) als ik maar voor het museum verzamelde.

Lieftinck heeft het museum door de meest turbulente periode van zijn bestaan geleid - van de Japanse bezetting tot ver na de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië. Aanvankelijk door de Japanners geïnterneerd als burgergevangene in Cimahi werd hij door prof. T. Nakai teruggehaald naar het museum, dat ondertussen een naamsverandering onderging en 'Dobutsu Hakubutsukan' heette. Lieftinck was er soms wel, dan weer niet, omdat hij steeds weer door de Japanners gevangen werd gezet wegens 'subversieve activiteiten'. Met wijsheid en een grote persoonlijke inzet, ook voor het personeel, heeft hij het museum door alle moeilijkheden heen weten te loodsen, tot hij in 1954 repatrieerde naar Nederland.

Dat de verstandhouding tussen Indonesiërs en Europeanen uitstekend was, mag blijken uit het feit dat na Lieftinck door de Indonesiërs weer een Europeaan, A.M.R. Wegner, werd gevraagd om directeur te worden. Ook Wegner (1894-1969) was een bijzonder mens. Duitser van geboorte kwam hij in 1932 als koopman naar Indië. Het koopmansberoep trok hem echter niet zo zeer aan, hij was meer geïnteresseerd in de natuur van Indië. Hij bouwde zich een privé-museum in Nongkojajar in het Tenger-gebergte in Oost-Java, waar hij een zoölogische expositie inrichtte van tropische vlinders, slangen, opgezette vogels en zoogdieren. Daarnaast hield hij er nog een dierentuin op na met slangen, apen, pauwen, papegaaien en een bijenfarm.

Het werd al gauw een geliefd vakantie-uitstapje voor de bewoners van Surabaja, Madiun en Semarang. De aanloop was zo groot dat hij iemand in het prepareren opleidde en aanstelde als curator. Dit was Liem Swie Liong, die later de Indonesische naam Pariwono Martodihardjo aannam en die met Lieftinck diens laatste Celebes-expeditie in 1982 organiseerde. Gezien de naturalisatie-procedure van Wegner in de jaren 30 uiterst traag verliep, werd hij in 1939 geïnterneerd, maar gelukkig niet gedeporteerd. In de oorlog en tijdens de Japanse bezetting gingen zowel zijn museum als al zijn persoonlijke bezittingen verloren. In 1947 kwam hij naar het museum in Bogor en bracht tevens 'zijn' curator Liong mee. Het was weer Lieftinck, die hem onderdak verschafte, net als aan een andere Duitser F.C. Drescher, een oud-planter en tevens keverspecialist, die in een afgelegen dorpje, beschermd door de bevolking, de Japanse bezetting had overleefd. Wegner was van 1955 tot 1960 directeur van het museum. Op 65-jarige leeftijd ging hij met pensioen en vestigde zich in Ambon.

Vanaf 1960 werd het bewind overgenomen door Indonesische directeuren, die afwisselend hoofd van het museum waren: dr. Sampurno Kadarsan (1960-62, 1964-68, 1971-77), dr. Soekarja Somadikarta (1962-64, 1968-71), dr. Soenartono Adisoemarto (1977-86) en drs. Mohammed Amir M.Sc. (1986 tot heden).

In de jaren '70 bleek dat het oude museumgebouw te klein werd voor de showcollectie en de wetenschappelijke collecties. In 1977 werd een nieuw gebouw geplaatst dicht naast de bijgebouwen van het Presidentiële Paleis, een oppervlaktevergroting van 2500 m. Dit gebouw wordt het 'Museum Utara' ('Noordmuseum') genoemd, in tegenstelling met het oude gebouw 'Museum Selatan' ('Zuidmuseum') met de showcollectie. Het oude museum onderging ook een verjongingskuur doordat naast de 'Ikan Paus' ('walvis') aquaria werden ingericht met levende vissen van Indonesië uit zowel zoet als zout water. Ook werd een nieuwe afdeling Fysiologie geopend met volières met beschermde vogels, die in verband met de CITES-wetgeving (Convention International Trade of Endangered Species of Fauna and Flora) in beslag genomen zijn. Men hoopt met deze vogels te kunnen fokken.

De wetenschappelijke afdeling, het 'Museum Utara', is inmiddels zo gegroeid, dat het gebouw te klein is geworden. Het ligt in de bedoeling in 1996 in Cibinong, 15 km ten noorden van Bogor, een nieuw modern museum te bouwen met speciale faciliteiten voor het opbergen en preserveren van materiaal. Dit wordt ten dele bekostigd door Japan en de Wereldbank.

Nationaal geschenk

Door zijn Indische verleden heeft Nederland een grote kennis opgebouwd van de dieren- en plantenwereld van Indonesië. Er zijn drie grote instellingen in Nederland, het Nationaal Natuurhistorisch Museum te Leiden, het Zoölogisch Museum in Amsterdam en het Rijksherbarium in Leiden, die een schat aan wetenschappelijk materiaal en know-how beheren.

Nederland heeft zich in het verdrag van Rio verplicht kennis te leveren en mee te werken aan het behoud van de biodiversiteit en de bescherming van de natuur, vooral wat betreft de ontwikkelingslanden. Door onze achtergrond zouden we bij uitstek geschikt zijn om een bijdrage te leveren in Indonesië. Zou het niet zinvol zijn deze traditie voort te zetten? De Indonesische natuurgebieden gaan hard achteruit. Nederland zou een bijdrage kunnen leveren om dit proces te stoppen met deskundigheid, die Indonesië nu nog niet heeft. Vele tropische dier- en plantesoorten verdwijnen vermoedelijk voordat ze werkelijk beschreven zijn of hun praktisch nut onderkend is.

Als 'Nationaal cadeau' een historisch pand te restaureren is wel aardig, maar het haalt verder niet veel uit voor het land, het zal niet eens meer toeristen trekken. Waarom geven wij niet iets wat meer leven in zich heeft? Waarom helpen we de Indonesiërs niet met de bouw van het nieuwe museum en met kennisoverdracht van alles wat we al weten van hun land? Dit zal een levend, dynamisch 'Nationaal geschenk' zijn, dat de banden tussen de twee landen zal verstevigen, aanhalen èn continueren.