De rotgans achterna

Volgende week wordt in Taimyr officieel het biologisch station Willem Barentz geopend door de Nederlandse ambassadeur in Rusland en door Prins Philip van Engeland. Belangrijke onderzoeksvraag: hoe broedt de rotgans.

Het is 25 mei. Ik pak mijn zonnebril en kijk uit het raam. De wereld achter het driedubbel uitgevoerde glas is oogverblindend wit. Een noordoostenwind giert om het huis. Het vriest nog geen 4 ß8C, maar met zo'n wind voelt het buiten aan als -15 ß8C. We zitten dan ook op het Siberische schiereiland Taimyr, aan de oever van de Noordelijke IJszee, op 74ß8 07' Noorderbreedte en 86ß8 45' Oosterlengte. Dat is een heel eind oostelijker en maar weinig zuidelijker dan Barentz en van Heemskerk met hun mannen, bij hun overwintering op Nova Zembla vierhonderd jaar geleden. Wat brengt ons hier in vredesnaam?

Gerard Müskens en ik vormen de voorhoede van een team onderzoekers dat begin juni arriveert om hier de ecologie van de rotgans te bestuderen. Dat is een kleine, donkere gans, met het formaat van een wilde eend, die langs de zeekust leeft. Rond 10 juni zullen de ganzen hier in hun broedgebied aankomen. Van eind maart tot eind mei zitten bijna alle rotganzen die in West-Europa (Frankrijk, Engeland, Zuidwest-Nederland) overwinterd hebben in het waddengebied, waar ze zich tegoed doen aan het gras op kwelders en weilanden. Dat komt de boeren niet altijd even goed uit omdat juist deze soort zo lang blijft en tot laat in het voorjaar het groeiende, eiwitrijke gras afvreet om 'op te vetten' voor de trek naar de broedgebieden. De overheid probeert het conflict tussen boeren en ganzen zoveel mogelijk te verzachten door allerlei praktische maatregelen te treffen. De financiële schade voor de boeren wordt vergoed. Verder heeft Staatsbosbeheer een boerderij op Texel aangekocht, waar de ganzen mogen vreten zoveel ze willen. Ook worden flinke stukken van de kwelders op de Waddeneilanden gemaaid, om ze beter geschikt te maken als fourageergebied.

Het tijdelijke verblijf van bijna de hele populatie in het waddengebied maakt dat ons land een grote verantwoordelijkheid heeft voor de rotgans. In de jaren vijftig waren er nog maar 20.000 over en werd gevreesd voor uitsterven. Na het sluiten van de jacht in Frankrijk (1967) en vooral Denemarken (1972) ging de populatie weer vooruit, zodat er nu tussen de 250.000 en 300.000 rotganzen zijn. Het aantal individuen schommelt echter sterk doordat het broedsucces van jaar tot jaar varieert.

Witte randjes

Als de rotganzen in de herfst terugkomen is gemakkelijk vast te stellen hoeveel jongen ze meebrengen: de jonge ganzen hebben witte randjes langs hun rugveren. Zelfs is het mogelijk om het broedsucces van individuele ganzen te bepalen, omdat de families pas laat in de winter uit elkaar vallen. De ganzen foerageren meestal in grote groepen, maar daarbinnen lopen de jongen steeds bij hun twee ouders, die zelf een band voor het leven sluiten. Dat weten we omdat intussen een groot aantal rotganzen voorzien is van gekleurde pootringen met een inscriptie, die met een telescoop tot op driehonderd meter is af te lezen. Veel vogelaars in West-Europa hebben die mogelijkheid enthousiast opgepikt en het aflezen van ringen tot hun hobby gemaakt. Dat levert heel veel belangrijke gegevens op en bewijst weer eens hoe waardevol de bijdrage van amateurs aan biologisch onderzoek kan zijn.

Deze expeditie, waarvan ik voor de eerste keer deel uitmaak, is een onderdeel van een langlopend onderzoek naar de rotgans, uitgevoerd door Bart Ebbinge en Bernard Spaans en hun helpers, van het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek. Als de ganzen eind mei massaal uit het waddengebied vertrekken, vliegen de onderzoekers achter ze aan, halen ze onderweg in en komen met enkele dagen voorsprong in het broedgebied in Noord-Siberië aan. De rotganzen vliegen namelijk niet het gehele traject van 4600 km in één keer, maar pleisteren onderweg ergens, mogelijk doen ze zich tegoed aan zeegras in de buurt van de Witte Zee.

Zeegras kwam vroeger ook overal in het waddengebied voor. Het werd 'wier' genoemd en massaal geoogst voor gebruik als matrasvulling en om het als 'bewapening' door de klei te mengen waarmee dijken werden gemaakt, de zogenaamde wierdijken. Het voormalige eiland Wieringen dankt er zijn naam aan. In die tijd voedden de rotganzen zich ook bij ons voor een belangrijk deel met zeegras. Het zeegras stierf echter in de jaren dertig uit, vermoedelijk door een ziekte. De rotgans schakelde geheel over op het eten van 'landgrassen'. Intussen worden pogingen ondernomen om het zeegras weer terug te brengen in de Waddenzee.

Het onderzoek in Siberië richt zich op de achtergronden van de grote variatie in broedsucces. Er blijkt een zekere regelmaat te zitten in de afwisseling tussen goede en slechte jaren. In goede jaren bestaan de terugkerende groepen ganzen voor 25 tot 55 % uit jongen. In de slechte jaren komen de ganzen vaak terug zonder dat ze één enkel jong bij zich hebben.

Dat bleek steeds het geval te zijn in jaren waarin er op de toendra vrijwel geen lemming te vinden was. Er moest dus wel een verband zijn met de bekende 'lemmingencyclus'.

Lemmingen (in feite zijn het enkele verschillende soorten) zijn knaagdieren met het formaat van een forse veldmuis. Ze komen overal voor op de toendra's rond de noordpool. De aantallen fluctueren van jaar tot jaar geweldig, met elke drie tot vijf jaar een topjaar. Dan zijn er zóveel lemmingen dat de toendra er van wemelt. Door een complex van nog niet geheel begrepen oorzaken stort de populatie daarna in en kun je alleen met veel moeite hier en daar nog een lemming vinden.

Vrijwel alle roofdieren in de toendra zijn afhankelijk van dit knaagdier: ruigpootbuizerd, middelste jager, sneeuwuil en poolvos. Alleen in jaren met veel lemmingen krijgen ze jongen, maar dan ook veel: een poolvos kan dan wel twintig jongen hebben. Na het ineenstorten van de lemmingpopulatie kunnen er in zuidelijker streken invasies voorkomen van deze soorten; af en toe wordt dan zelfs bij ons een sneeuwuil waargenomen. Tussen rotganzen en lemmingen bestaat echter geen directe relatie, rotganzen eten geen lemmingen. Hoe komt het dan dat hun voortplantingssucces net zo schommelt als dat van de roofdieren?

Poolvos

Een belangrijke rol daarbij wordt toegedicht aan de poolvos, die zich in jaren zonder lemmingen massaal op de broedende vogels zou richten en hun eieren en jongen zou eten. Niet alleen de ganzen, maar ook de verschillende steltlopersoorten van de toendra zouden daardoor geen nageslacht over houden. Juist in de jaren na een lemmingenpiek moeten er extra veel poolvossen zijn, want ze hebben in het topjaar allemaal jongen gekregen, meestal meer dan tien per worp. Overbekend is een vergelijkbare situatie in Noord-Amerika, in dat geval bij de lynx en zijn favoriete prooi de sneeuwschoenhaas. Beide soorten worden 's winters gevangen voor hun bont. De statistieken tonen een regelmatige cyclus in de aantallen gevangen hazen en eveneens in de aantallen gevangen lynxen; de topjaren van de lynx liggen echter steeds een jaar na de topjaren van de haas.

De veronderstelling dat iets dergelijks ook in de Noord-Siberische toendra speelt, tussen poolvos en lemming, ligt voor de hand. Maar met de beschikbare gegevens is dat niet vast te stellen, want de populatiedichtheid van de lemming wordt 's zomers bepaald, terwijl aanwijzingen over het aantal poolvossen 's winters worden verkregen, via het aantal huiden dat door de 'trappers' op de markt wordt gebracht. Hoeveel poolvossen er in het daaropvolgende voorjaar rondzwerven om het de ganzen lastig te maken, blijft dan onbekend.

Jarenlang moest het blijven bij de veronderstelling dat verhoogde predatie door poolvossen de oorzaak was van het achterwege blijven van voortplanting bij de rotgans. De glasnost veranderde dat. In 1989 vond een verkennende expeditie plaats in Taimyr en werd met de Russen besloten tot samenwerking. Vanaf dat jaar is het, dankzij de vasthoudendheid van Bart Ebbinge en Bernard Spaans, gelukt om iedere zomer een groep onderzoekers te laten bivakkeren in een ganzenbroedgebied aan de monding van de Pjasina. Nederlanders werken hier samen met Russen, en vaak ook nog met onderzoekers van andere nationaliteiten.

De meeste rotganzen broeden op enkele eilandjes voor de kust, de Vogeleilanden. In de eerste jaren bestond het basiskamp uit kleine tenten en enkele Yurta's, grote ronde dubbelwandige tenten naar het model dat door de nomadische Mongolen als huis wordt gebruikt. Vanaf 1993 beschikt de groep echter over een permanent basiskamp op de vaste wal tegenover de Vogeleilanden, bestaande uit een achttal kleine barakken. Op een van de eilandjes, vier kilometer voor de kust, staat een houten huisje dat gebouwd is door de technische dienst van de afdeling Gedragsbiologie van de Rijksuniversiteit Groningen. Het zit zo vernuftig in elkaar dat het tegelijkertijd dienst doet als schuilhut en als permanent onderkomen voor twee man die zich, om verstoring van broedende ganzen te voorkomen, nauwelijks buiten mogen wagen. Het huisje is 'Het Behouden Huys II' genoemd. Er wordt alleen niet in overwinterd.

Ik ben dit jaar voor het eerst hier, met de speciale taak om de rol van de poolvos nader te bestuderen. Mijn ervaring met onderzoek aan vossen en andere roofdieren in Nederland zou het mogelijk moeten maken om daarmee in één seizoen een heel eind te komen. Om poolvossen te kunnen vangen hebben we alles uit de kast gehaald; maar ook zullen we gebruik maken van de ervaringen van de lokale jagers en biologen.

De verwachting is dat het een zomer zonder lemmingen gaat worden en dus ook zonder jonge rotganzen. Bernard en Bart vertelden dat in het vergelijkbare jaar 1992 overal hongerige vossen rondzwierven, die nauwelijks lemmingen konden vinden. Over de bevroren zee bezochten ze vaak verschillende keren per dag de Vogeleilanden. Daarbij verstoorden ze voortdurend het proces van territorium vestigen, paren en nestelen van de ganzen, die steeds als er een vos verscheen, elkaar weer opzochten en groepen vormden. Uiteindelijk werden nauwelijks eieren gelegd. De vossen bleken hun invloed op de ganzen dus niet via predatie uit te oefenen, maar via verstoring van het ganzengedrag, een onverwacht resultaat.

Predatie

In het betreffende jaar was de zee abnormaal lang bevroren. In normale jaren raken de eilanden veel eerder omringd door koud water, dat een tijdlang een effectieve barrière vormt: poolvossen kunnen het zwemmen in ijskoud water niet lang volhouden. Naar verwachting zal het ondiepe zeewater echter vrij snel voldoende opwarmen om de oversteek voor poolvossen weer mogelijk te maken. Dit jaar kan er dus een situatie ontstaan waarin het wel tot predatie komt, in een wat later stadium.

Om het aantal poolvossen en hun bewegingen goed te volgen, hebben we halsbanden meegebracht waarin we twee zenders hebben verwerkt: een normale, waarmee we de dieren zelf kunnen volgen en een zender die door enkele satellieten gevolgd wordt. Poolvossen kunnen namelijk geweldig grote afstanden afleggen. Er zijn gevallen bekend van vossen die op Spitsbergen waren gemerkt en in Siberië werden teruggevonden.

Wij zijn ruim twee weken eerder dan normaal in het onderzoeksgebied gearriveerd om bij het vangen van vossen te profiteren van de situatie dat er nog geen trekvogels aangekomen zijn en de voedselsituatie voor de vossen dus heel krap is: geen lemmingen en geen vogels. Hopelijk komen ze nu gemakkelijker op het aas in onze vallen af.

Het basiskamp voor het ganzenonderzoek vormt intussen een dependance van het 'Biologisch Station Willem Barentz', dat op 23 juli officieel geopend wordt door de Nederlandse ambassadeur in Moskou en Prins Philip van Engeland. Het onderzoeksstation is tot stand gekomen met financiële hulp van zowel het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij als van het Wereldnatuurfonds. De hoofdvestiging staat aan de Medusabaai ten zuiden van Dikson, de enige nederzetting in het westelijk deel van Taimyr. Het kamp in de Pjasinadelta ligt 235 km ten oosten van Dikson.

De groeiende interesse in de natuurwaarden van Taimyr heeft inmiddels ook geleid tot maatregelen van de Russische regering. Zeven stukken van Taimyr vormen sinds 1993 gezamenlijk het 'Great Arctic Reserve'. Het gaat slechts om een tiende deel van het schiereiland, maar de totale oppervlakte van het reservaat is wel zo groot als Nederland. Het is een licht heuvelig gebied met uitsluitend toendrabegroeiing: de grootste 'bomen' zijn de poolwilgen, waarvan de takken in beschutte dalletjes wel twintig centimeter omhoog steken.

Alleen langs de kust en de rivieren is bewoning mogelijk. 's Zomers zijn de rivieren per boot bereikbaar en langs rivieren is altijd voldoende brandstof: de aangespoelde boomstammen liggen overal langs de oever, vanuit de veel zuidelijker gelegen taigazone door de rivier meegebracht. De enige permanente bewoners rond het basiskamp zijn jagers, vissers en enkele autochtone rendierjagers. Het zijn er bij elkaar ongeveer zo'n dertig - in een gebied ongeveer zo groot als Nederland.

Taimyr heeft een grote internationale betekenis als broedplaats van de ganzen en steltlopers die in de nazomer West-Europa binnenstromen, langs de zogenaamde Oost-Atlantische trekroute. De Waddenzee is daarbij een centraal punt, waar de stromen trekvogels uit het noordoosten (Siberië) en die uit het noordwesten (Groenland-IJsland-Noorwegen) samenkomen.

Niet alle broedvogels van Taimyr, dat tamelijk centraal ligt aan de kust van Noord-Siberië, gaan naar het westen; de goudplevieren bijvoorbeeld vliegen naar het oosten en volgen de West-Pacifische trekroute; ze overwinteren in Oost-Aziatische omgeving.

De band tussen Taimyr en de Waddenzee is door het ganzenonderzoek heel tastbaar geworden. Elk jaar weer wordt een aantal in Siberië bestudeerde individuen in de herfst teruggezien in het Waddengebied en de Zeeuwse delta, in gezelschap van de jongen die de onderzoekers enkele maanden eerder op duizenden kilometers afstand uit het ei hebben zien kruipen. Omdat de rotganzen gemiddeld zo'n tien jaar oud worden ontstaat er een stevige band tussen onderzoekers en bepaalde individuen. Zo wordt elk voorjaar vanuit het 'Behouden Huys II' reikhalzend uitgezien naar het ganzenpaartje Kees en Pia, terwijl ook Erwin en Mieke met spanning worden verwacht.

Tot nu toe zijn de ideeën van de onderzoekers over de gang van zaken in de toendra niet altijd bevestigd. Het motto is dan ook het bekende 'de natuur zit ingewikkelder in elkaar dan gedacht'. Het lijstje met factoren die het broedsucces van de rotgans kunnen bepalen is daardoor flink gegroeid.

Kanonnetten

Bart Ebbinge was begonnen met aan te tonen dat de conditie waarmee de vrouwtjes naar hun broedgebied vertrekken hun broedsucces beïnvloedt. Vlak voor het vertrek uit het Waddengebied worden met behulp van kanonnetten elk jaar ongeveer honderd rotganzen gevangen, geringd en gewogen. In jaren dat de vrouwtjes vertrekken met een gemiddeld gewicht van 1400 tot 1500 gram is het broedresultaat beduidend minder dan als ze lekker vet zijn en ongeveer 1600 gram of meer wegen. Zwaardere vrouwtjes hebben ook in een goed jaar een grotere kans om succesvol te broeden. Goed voedsel en rust in het waddengebied zijn in april en mei dus van groot belang.

Het overgrote deel van de rotganzen foerageert dan op de kwelders, omdat het gras daar langzamer groeit en dus eiwitrijker is dan op het boerenland. Alleen als de groei van de kweldervegetatie in die periode door slecht weer achterblijft, gaat een deel van de ganzen bij de boeren 'bij eten'.

Maar het gaat natuurlijk niet om het vertrekgewicht, wat telt is de conditie bij aankomst in het broedgebied. Daar blijkt het veel lastiger om de ganzen nog even te vangen. Ze willen zo snel mogelijk na aankomst gaan broeden (het seizoen is hier kort), zodat de groepen uiteenvallen in paren die al direkt een territoriumpje gaan verdedigen. Rotganzen broeden weliswaar in kolonies, maar houden toch een onderlinge nestafstand van dertig tot veertig meter aan. Vangen kan dus maar mondjesmaat, meestal niet meer dan twee tegelijk.

Het blijkt dat de conditie bij vertrek het ene jaar goed overeenkomt met die bij aankomst, het andere jaar echter beduidend minder is. De ganzen hebben dan tijdens de voorjaarstrek veel energie verbruikt, doordat ze voortdurend tegen harde wind in moesten vliegen. Ze houden dan ook duidelijk rekening met de weersomstandigheden bij het kiezen van het moment van vertrek uit de Waddenzee. Als in de tweede helft van mei na dagen met veel noorden- of oostenwind opeens een dag aanbreekt met weinig wind of een westenwind, dan zie je de rotganzen opeens massaal vertrekken.

Maar ook op een ander moment kan de wind de ganzen parten spelen. De Vogeleilanden worden niet alleen bevolkt door rotganzen, maar ook door talrijke zilvermeeuwen. Normaal gesproken krijgen die geen kans om eieren of jongen te stelen, omdat de ganzen hun nest goed bewaken en fel verdedigen. Tot verrassing van de onderzoekers bleek echter dat de zilvermeeuwen in staat waren veel juist uitgekomen jonge ganzen vanonder de moeder weg te halen, als er maar een straffe wind stond. Balancerend op de wind hadden de meeuwen een veel grotere beweeglijkheid dan de ganzen.

Nieuwe verrassingen

Inmiddels is het 15 juni. De groep onderzoekers is op volle sterkte en de eerste groepen ganzen zijn gearriveerd. Ook Pia en Kees zitten weer op de plek waar ze al een paar jaar met wisselend succes broeden. Nog steeds kan het bitter koud zijn, vooral doordat op de meeste dagen een harde noordooster waait, zoals ook nu. Bovendien sneeuwt het. Dat maakt buiten werken nauwelijks mogelijk, zodat er tijd is voor schrijfwerk.

Opnieuw heeft de natuur een verrassing voor ons in petto. Er blijken nauwelijks vossen aanwezig. Met veel moeite kunnen we de sporen ontdekken van één poolvos, in een gebied van bijna honderd vierkante kilometer. Eénmaal zagen we hem of haar lopen. En dat terwijl het allemaal zo aardig begon, want al bij onze aankomst vonden we een verse dode poolvos vlakbij het kamp. Het moet zo'n beetje de laatste zijn geweest van een sterftegolf onder de vossen deze winter.

Lange discussies hebben we gevoerd over het hoe en waarom van dit grote verschil met onze verwachtingen. Twee mogelijke oorzaken kwamen daaruit naar voren. Een virusziekte, de zogenaamde 'canine distemper', hondenziekte, heeft de stand waarschijnlijk behoorlijk aangetast. Ook zuidelijker is door Russische onderzoekers veel sterfte geconstateerd. Maar die ziekte slaat iedere keer toe als er veel poolvossen zijn.

Ook kan het zijn dat het moment van het instorten van de lemmingpopulaties een rol speelt. Als er reeds in de herfst sneeuw valt, dan zijn de lemmingen goed beschermd tegen de kou en is hun voedsel onder de sneeuw in veiligheid. De massale sterfte treedt dan pas op bij de voorjaarsdooi, waarbij hun holen en gangen onder water komen te staan. Weer invallende vorst maakt dan ook nog eens hun voedsel onbereikbaar. De vossen hebben dan de winter goed overleefd en staan klaar om het de vogels moeilijk te maken.

Begint de herfst echter met vorst, zonder sneeuw, dan krijgen de lemmingen het direct al moeilijk, vooral als het eerst geregend heeft. Mogelijk vindt de massale sterfte in dat geval al vroeg plaats, zodat de vossen 's winters te weinig voedsel hebben, en sterven of wegtrekken. Vast staat dat de afgelopen winter begonnen is zonder sneeuw, dus beide factoren kunnen hier een rol hebben gespeeld. Aan de andere kant begonnen de lemmingen in het topjaar 1991 al in juli te sterven, terwijl er in het jaar daarop toch overal vossen rondzwierven. Voorlopig blijft het gissen. Tot mijn vertrek, half augustus, zal ik mijn bakens moeten verzetten en me met vogels bezig houden.

Allemaal zijn we nu zeer benieuwd hoe het de rotgans dit seizoen zal vergaan. De duidelijkste wetmatigheid in hun reproductieresultaat is juist dat ze in jaren na een lemmingcrash thuiskomen zonder jongen. Zal dat dit jaar voor het eerst niet opgaan, nu er geen vossen zijn? In dat geval kan de rotganspopulatie opeens sterk toenemen.

Aan de andere kant lijkt de populatie de laatste jaren niet echt meer te groeien en gaan andere factoren misschien nu het broedsucces bepalen. Gaan andere rovers, zoals de meeuwen, de rol van de nu afwezige vos misschien overnemen? Die profiteren normaal ook van de lemmingen, die nu niet voorhanden zijn, maar hebben altijd nog de zee als tweede voedselbron.

De geheimen van de toendra zijn blijkbaar pas te ontrafelen als je in staat bent enkele achtereenvolgende lemmingencycli te volgen, omdat elke cyclus weer anders verloopt; nog eens een jaar of vijf onderzoek in Siberië?