CO2-ideologie (5)

In 'de CO2-ideologie' (W&O, 6 juli) doet prof.dr. Harry Priem tal van beweringen die elders zijn weersproken of weerlegd, niet alleen in de literatuur maar ook in debatten die sinds 1990 met Priem worden gevoerd, ondermeer door ondergetekenden. Enkele van de kritiekpunten zullen we daarom hier herhalen.

Zonder het natuurlijke broeikaseffect zou het volgens Priem op aarde 6 à 7 ß8C kouder zijn. Met behulp van elementaire fysica en kennis over warmtefluxen, hebben we Priem voorgerekend dat het zonder natuurlijk broeikaseffect aanzienlijk kouder zou zijn dan hij beweert. Priems antwoord hierop, dat zijn uitspraak niet op eigen analyses is gebaseerd, is weinig bevredigend.

Priem beweert dat meer CO2 in de dampkring er niet toe kan leiden dat meer warmtestraling van de aarde wordt geabsorbeerd wanneer deze straling de dampkring toch al niet ongehinderd kon verlaten. Dit is een misvatting. Na absorptie wordt de warmtestraling door ondermeer de CO2 moleculen immers weer geëmitteerd. Door meer CO2 in de dampkring te brengen vergroot je de kans dat deze geëmitteerde straling opnieuw wordt geabsorbeerd. De warmtestraling zal dus moeilijker de dampkring kunnen verlaten. Een en ander maakt dat de dampkring nabij het aardoppervlak warmer zal worden. Aldus kan ook de hoge temperatuur op Venus worden verklaard. Of heeft Priem hierover een andere theorie? Priem stelt dat volgens de gangbare modellen de 25% toename van de CO2-druk die we sinds 1860 kennen, zou hebben moeten leiden tot een stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde van zo'n 2 à 3 ß8C. Dit is onjuist. De gangbare klimaatmodellen geven aan dat bij een verdubbeling van de CO2-concentratie de evenwichtstemperatuur op aarde met 1.5 tot 4.5 ß8C zal stijgen. Hieruit valt af te leiden dat bij 25% toename van de CO2-druk de evenwichtstemperatuur met 0.5 tot 1.5 ß8C zal stijgen. De werkelijke temperatuurstijging zal hier echter bij achterlopen, wegens de thermische inertie van de oceanen. De gemeten waarde zal bovendien lager zijn door het compenserend effect van aerosolen. De waargenomen temperatuur stemt hiermee overeen.

Sinds de industriële revolutie neemt het CO2-gehalte van de atmosfeer toe. Algemeen wordt aangenomen dat deze stijging het gevolg is van menselijk handelen. De bewijzen hiervoor zijn overtuigend. Echter niet voor Priem. Hij ziet deze stijging als een voortzetting van een trend die al 10.000 jaar geleden is begonnen. Hij verzuimt echter aan te geven waarom de bewijzen voor het antropogene karakter van deze stijging niet deugen.

Het vermelden van verschijnselen die volgens beste weten 120 miljoen jaar geleden hebben plaatsgevonden zegt weinig over wat ons te wachten kan staan wanneer de komende eeuw de CO2-druk fors zou toenemen. Daarvoor moet ook naar andere grootheden worden gekeken, zoals de ligging van de continenten en het profiel van oceaanstromingen, die 120 miljoen jaar geleden heel anders waren. Priem gaat hieraan voorbij.

Priem wijst erop dat door een stijging van de atmosferische CO2-concentratie de voedselproduktie zal toenemen. Hij verzuimt te vermelden dat door andere maatregelen een veel grotere produktiviteitstijging wordt bereikt. Daarvoor hoeft het CO2-gehalte van de dampkring niet toe te nemen. Mocht je het echter om deze reden niet erg vinden dat de CO2-concentratie tot bijvoorbeeld 450 a 500 ppm toeneemt, dan nog betekent dit dat volgens gangbare modellen de uitstoot van CO2 de komende eeuw belangrijk zal moeten worden teruggedrongen.

Priem stelt vragen bij de reductionistische benadering van de fysische werkelijkheid die wordt toegepast om tot een beschrijving van het klimaatsysteem te komen. Vanwege de complexiteit past hier inderdaad bescheidenheid. Toch leert de geschiedenis dat zo'n benadering helpt om stap voor stap tot beter inzicht te komen. Dit inzicht moet ons voor onverantwoorde experimenten met het klimaatsysteem behoeden.

In zijn aanval op medewerkers van de Vrije Universiteit speelt Priem op de man en niet de bal. Zijn aanval suggereert dat hij met de VU nog een appeltje heeft te schillen. Daarnaar gevraagd, bevestigde hij dit. Een open en integer debat wordt hier niet door bevorderd.

Naast alle onnodige verwarring, schuift Priem ook een belangrijk punt naar voren: namelijk dat het klimaatsysteem nog maar beperkt is begrepen en dat de geologie een waardevolle bijdrage kan leveren aan het krijgen van een beter begrip. Daarbij moet men zich wel realiseren dat geologisch relevante mechanismen, zoals ijstijdcycli en silicaatverwering, een enorme traagheid hebben. Dit maakt dat hun effect op beleidsrelevante tijdschalen - en dan hebben we het over minder dan honderd jaar - vrijwel verwaarloosbaar is.