CHARLES BRUCK 1911-1995; Sensueel dirigent

De dirigent Charles Bruck, die zondag op 84-jarige leeftijd in Hancock (Maine) overleed, was van 1950 tot en met 1953 de chef-dirigent van de toenmalige Nederlandse Opera. Dat de naam van Bruck in die functie veertig jaar later in ons land en ver daarbuiten nog steeds bekend is, dankt hij voornamelijk aan het toeval. Bruck was de dirigent van de opname van Glucks Orfeo, waarin de titelrol werd gezongen door Kathleen Ferrier. De radio-opname uit 1951 van de reprise van die voorstelling werd pas in de jaren zeventig ontdekt in de Hilversumse archieven en in 1977 uitgebracht. Zo werd Bruck vijfentwintig jaar na de voorstelling alsnog beroemd als de dirigent van de enige complete opera-opname op plaat met Ferrier. Een radio-opname van Brittens The Rape of Lucretia met Ferrier is nooit uitgebracht.

Charles Bruck had zijn positie als dirigent van de Nederlandse Opera ook te danken aan die inmiddels legendarische Orfeo. Pierre Monteux dirigeerde de eerste voorstellingen daarvan tijdens het Holland Festival 1949. De laatste twee uitvoeringen liet Monteux over aan Bruck, die voor de oorlog had gestudeerd aan zijn dirigentenschool in Parijs. Bruck was de enige die daar ooit een eerste prijs verwierf. Monteux stelde hem daarna aan als zijn assistent bij de dirigentenopleiding en bij zijn Orchestre symphonique de Paris, waar hij in 1936 debuteerde. Vanaf 1970 leidde Bruck de door Monteux gestichte dirigentenschool in de VS.

Charles Bruck werd geboren op 2 mei 1911 in de Roemeense stad Timisoara. Hij studeerde rechtswetenschappen, onder andere in Parijs, en muziek aan de Ecole Normale du Musique in Parijs en ook in Wenen. Na zijn opleiding bij de beroemde Monteux - hij dirigeerde in 1913 in Parijs de schandaalverwekkende wereldpremière van Strawinsky's Le sacre du printemps - werd Bruck aangesteld als muziekdirecteur in Cannes en Deauville. Hij dirigeerde in vele andere Europese landen en in Amerika. Bruck leidde premières van werk van onder anderen Messiaen, Barraud, Rivier, Landowski, Nigg, Barraine, Françaix, Martinon, Schönberg en Bartók.

Tijdens de oorlog zat Bruck - inmiddels tot Fransman genaturaliseerd - in het verzet van de maquis, daarna was hij op het Franse ministerie van industriële produktie enkele jaren hoofd van de afdeling muziekindustrieën en -uitgeverijen.

Na zijn succesvolle directie van Orfeo in 1949 werd Bruck in 1950 aangesteld tot vaste dirigent van de Nederlandse Opera, waar hij in september 1953 werd opgevolgd door de Zwitser Alexander Krannhals. In de na-oorlogse tijd lag de nadruk op het niet-Duitse repertoire. Bruck dirigeerde voorstellingen van Tosca, Manon, Carmen, Hoffmanns vertellingen, L'Heure espagnole, Une éducation manquée, De parelvissers, Un ballo in maschera, Le pauvre matelot, L'Apostrophe, Die Fledermaus, Jenufa, Rigoletto en Faust. Ook dirigeerde hij de balletten Valses nobles et sentimentales, Billard en Jeux d'Enfants.

Volgens recensies - en het blijkt ook uit de opname van Orfeo - hechtte Bruck in het orkestspel niet zozeer aan technische exactheid maar meer aan de kleur: hij was eerder sensueel ingesteld dan motorisch, zijn musiceren lag dichter bij de schilderkunst dan bij de dans. Bruck werd geprezen om de warmte en de volheid van de bloeiende klank: hij gaf de blazers een kans en liet de strijkers zingen.