Verdwijnen kantonrechter levert niets op

Er waart een spook door Nederland, het spook van de herziening rechterlijke organisatie, HRO in modern managersjargon. Spoken eigen opereert het geruisloos. Rechterlijke instellingen verdwijnen, andere dijen fors uit, maar buiten de direct betrokkenen, rechters en een klein clubje justitie-ambtenaren, ligt er niemand wakker van. Of de organisatie eenmaal herzien beter òf slechter zal functioneren, is tot nu toe geen onderwerp van publiek debat geweest.

Een onderdeel van de operatie is de opheffing van de kantongerechten. Hun werk moet worden overgenomen door de rechtbanken. Kantongerechten vormen de basis van de Nederlandse rechtspraak. Zij behandelen vorderingen tot 5.000 gulden alsmede huur- en arbeidszaken, kortom de zaken van de gewone man of vrouw die geld noch tijd heeft om zijn of haar zaken omslachtig en langdurig in alle facetten uit te procederen. De onderdeel van de operatie dient geen enkel doel en zal bovendien geld kosten, hetgeen zelden het doel van grote operaties lijkt te zijn.

Welke argumenten gebruikt de minister om haar voornemen te rechtvaardigen? Eigenlijk slechts twee. De cliëntgerichtheid van de rechtspraak moet worden vergroot en verder noemt zij het leereffect. De kantonrechters kunnen, eenmaal bij de rechtbanken ingelijfd, de rechters leren hoe zij efficiënt kunnen rechtspreken.

Het eerste argument deugt niet. Van departementswege liet men mij weten dat over de periode 1991-'94 de hoeveelheid van kantongerechtzaken met 50 procent zou zijn gestegen, tegenover een stijging van het aantal kantonrechters met 10 procent. Bij de rechtbank zouden in die periode stijging van aantallen zaken en rechter gelijk op zijn gegaan.

Met alle voorbehoud die men moet maken kan dus voorzichtig de conclusie worden getrokken dat de kantongerechten de sterk toegenomen werklast aanzienlijk beter hebben verwerkt dan de rechtbanken. Minstens zo belangrijk is dat de kantongerechten ook de snelheid van het procedureverloop hebben weten te handhaven. En die snelheid was en is beduidend hoger dan bij de rechtbank.

Een kantongerechtsprocedure levert al na 18 tot 20 weken een vonnis op, de snelste rechtbank heeft al gauw de dubbele tijd nodig. Nìet juist is daaruit de conclusie te trekken dat rechters lui zijn en kantonrechters ijverig, wèl dat dezelfde inzet van energie minder oplevert in produktie en snelheid. Dat roept om een verklaring.

Het belangrijkste verschil tussen rechtbank en kantongerecht wordt gevormd door de werkomstandigheden. Een kantonrechter is te vergelijken met een advocaat, hij is zelfstandig en verantwoordelijk voor de eigen zaken vanaf het moment van binnenkomst. Hij moet de eigen zaken afwerken, van een achterstand in afhandeling is hij zelf de oorzaak en hij alleen zal deze hebben weg te werken, anders verdrinkt hij.

Dat vergt een praktische, nuchtere aanpak, gericht op het bereiken van aanvaardbaar en snel resultaat. De gemiddelde kantonrechter is naar buiten gericht. Zijn zakenbestand bevat geen aanleiding tot hoogvliegerij. Het gaat vooral om zaken die de gewone mensen aangaan.

Bovendien zijn kantonrechters veelal oudere ervaren rechters die hebben geleerd te selecteren en iedere zaak het gewicht toe te kennen dat deze verdient. Een jongere rechter beheerst die kunst nog niet. Die ervaring is een produktiefactor van belang die door de minister ten onrechte niet op zijn waarde wordt geschat.

De rechtbank is door zijn omvang bureaucratisch van karakter. Een rechter is niet verantwoordelijk voor zaken vanaf binnenkomst. De recent ingevoerde 'diepe delegatie' zal het bureaucratisch proces slechts versterken. Zaken gaan, alvorens bij een rechter te belanden, door vele handen van administratief en juridisch geschoold personeel. Op dat proces heeft de rechter geen grip. Zo kan een rechter een hoge produktie hebben, maar de zaak kan toch traag verlopen.

Bovendien is een rechter naar binnen gericht. Afstemming met collega's is belangrijk, een rechter moet, anders dan de kantonrechter, nog promotie maken; dat bepaalt mede zijn habitus. De huidige tendens het aantal rangen te verhogen versterkt dat slechts.

Het resultaat van de voorgenomen opheffingsoperatie kan dus wat de cliëntgerichtheid betreft slechts negatief zijn. De huidige kantongerechtzaken zullen trager worden afgehandeld en rechtzoekende en overheid meer geld kosten.

De minister wil een en ander wel trachten te voorkomen door de ex-kantongerechtzaken in een aparte sector binnen de rechtbank samengesteld uit ex-kantonrechters onder te brengen. Zij zegt zo de voordelen van het oude kantongerecht te behouden en hoopt dat niemand zo onvriendelijk zal zijn te vragen waarom ze dan moeten verdwijnen. Het valt echter niet te verwachten dat de ex-kantonrechters zich in dit reservaat zullen laten onderbrengen, waarmee dit idee wel een zachte dood zal sterven.

Ik had het ook nog over het 'leer'-effect, dat de minister verwacht. Dat lijkt te optimistisch. Iedere organisatiedeskundige zal onderschrijven dat een grote groep, de rechters, zich nooit de cultuur van een kleine groep binnenkomers - de kantonrechters - zal laten opdringen. Onderzoek van het Tilburgs Instituut voor Arbeidsvraagstukken bevestigt dit.

De gebruikers van het kantongerecht - advocaten, deurwaarders, werkgevers- en werknemersorganisaties, woningbouwverenigingen en consumentenorganisaties - zouden er goed aan doen de minister af te brengen van een voornemen dat alle betrokkenen niets oplevert, maar wel geld gaat kosten.