'Nederlandse hulp was te beperkt'; J. de Milliano, directeur Artsen zonder Grenzen

VALKENBURG, 19 JULI. De vraag of de Nederlandse blauwhelmen na de val van Srebrenica alles hebben gedaan dat in hun vermogen lag om de 25.000 vluchtelingen te beschermen, ligt J. de Milliano duidelijk zwaar op de maag. Net terug van een bezoek aan Tuzla en omgeving in Oost-Bosnië, kiest de directeur van Artsen zonder Grenzen zijn woorden zorgvuldig.

“Na alles wat ik daar heb gehoord en gezien, zie ik geen aanleiding voor een onderzoek naar de houding van de Nederlandse blauwhelmen ter plekke. Maar alleen al om de geruchtenstroom tegen te gaan dat ze onvoldoende zouden hebben gedaan om de vluchtelingen te beschermen, zou het goed zijn als van het kabinet een volstrekt eenduidig verhaal komt over wat zich heeft afgespeeld in de verhouding tussen Serviërs, vluchtelingen en Nederlandse blauwhelmen.” Een “onderzoek” wil De Milliano het niet noemen. “Dat klinkt zo beladen, alsof iemand ergens van beschuldigd wordt”. Tegenover zijn medewerkers zou hij spreken van een “reconstructie van de feiten”.

Met deze feiten doelt De Milliano onder meer op de aanhoudende stroom verhalen van vluchtelingen over verkrachtingen van vrouwen en executies van moslim-mannen door Bosnische-Serviërs in de nabijheid van Nederlandse militairen in de moslim-enclave Srebrenica. Of zoals De Milliano het eerder op zijn korte persconferentie op het vliegveld zei: “Er zijn enorme wreedheden gepleegd: kinderen zijn afgenomen, vrouwen verkracht, jongemannen doodgeschoten onder de ogen van hun moeders. Het zijn authentieke verslagen die te precies zijn voor indianenverhalen. Er was geen sprake van een algemene psychose. Er zitten genoeg slachtoffers tussen die hun verhalen scherp kunnen neerzetten.”

De wreedheden zouden volgens meerdere verklaringen 'onder de ogen' van de Nederlandse blauwhelmen hebben plaatsgevonden.

“Ja, maar wat betekent dat: dat de blauwhelmen dat met eigen ogen hebben gezien, of dat ze alleen maar in de buurt waren, of nog iets anders? De rekkelijkheid van dit soort waarnemingen en uitspraken zou eerst onderzocht moeten worden, voordat een oordeel over het gedrag van de blauwhelmen kan worden geveld.

“Feit is wel dat de vluchtelingen die in Tuzla zijn aangekomen, vertellen dat veel van de wreedheden zich hebben voltrokken in Portocari, waar ze verwacht hadden bescherming te vinden bij de Nederlandse blauwhelmen. Feit is ook dat de bescherming door de blauwhelmen van de bussen die moslims uit het gebied moesten vervoeren maar waaruit later door de Serviërs weer mensen zijn weggehaald, heel beperkt is geweest.”

“Je kunt de situatie van de vluchtelingen nu eenmaal vanuit twee invalshoeken bekijken: die van minister Voorhoeve die zegt: 'De Serviërs waren heer en meester, de VN'ers waren machteloos', en die van de vluchtelingen die zeggen: 'de Nederlanders hebben ons onvoldoende beschermd.'

Welke invalshoek is de uwe?

“De mijne is vooral dat de VN als systeem voor humanitaire bescherming hebben gefaald. Niet alleen de wreedheden door de Serviërs moeten worden onderzocht, maar ook welke beslissingen waar binnen de VN zijn genomen die ertoe hebben geleid dat de Nederlandse militairen in hun benarde situatie terechtkwamen. Wie heeft besloten pas in een heel laat stadium, in een te laat stadium twee luchtaanvallen door de NAVO te laten uitvoeren boven Srebrenica? Op dat soort vragen moet een antwoord komen.”

U spreekt, net zoals minister Pronk, vrijelijk over genocide en wreedheden van de Serviërs, terwijl de militairen die terugkeren naar Nederland juist is verzocht uiterste terughoudendheid te betrachten bij het laten vallen van zulke termen om de achtergebleven soldaten niet in gevaar te brengen. Waarom doet u dat?

“Onder genocide versta ik de destructie van een volk, en dat is wat er op dit moment in Bosnië plaatsvindt. Wij gebruiken zulke termen om duidelijk te maken dat humanitaire hulp volstrekt faalt, als er geen afdoende militaire bescherming wordt geboden tegen een systematische en grove schending van mensenrechten, of dat nu in Bosnië is of in Rwanda.”