Kantonrechters willen klein blijven

DEN HAAG, 19 JULI. Alsof je alle huisartsen weghaalt uit hun buurt en onderbrengt bij het streekziekenhuis. De kring van kantonrechters oordeelde vorig jaar hard over de plannen van het kabinet om de kantongerechten samen te voegen met de negentien arrondissementsrechtbanken.

Met het verdwijnen van het kleine plaatselijke gerecht, zo vinden de kantonrechters, wordt de drempel verhoogd voor burgers die recht zoeken in kleine zaken die zich 'om de hoek' afspelen. In de kantongerechten, gevestigd in plaatsen als Brielle, Boxmeer, Sommelsdijk en Terborg, wordt rechtgesproken in kleine strafzaken en civiele zaken (vorderingen tot 5.000 gulden), maar ook in zaken over huurrecht, pachtrecht en arbeidsrecht.

De kleinschaligheid waarmee de kantongerechten tot op heden functioneren, heeft naar het inzicht van de kantonrechters het voordeel dat er vrij snel een uitspraak komt: na een maand of vijf is het vonnis getekend. Bij rechtbanken duurt de procedure beduidend langer, in sommige gevallen tot drie jaar. Veel kantonrechters gruwen al bij de gedachte dat zij straks zullen verdrinken in een van de grote arrondissementsrechtbanken, gelijk een huisarts die al snel de weg kwijtraakt in een ziekenhuis, zoals voorzitter mr. J.A.L. Brada van de kring van kantonrechters een klein jaar geleden betoogde.

Bezwaarlijk is bovendien een afnemend contact met de burger, vinden de kantonrechters. Niet alleen zal de burger worden afgeschrikt, doordat de procedures in eenvoudige zaken mogelijk langer zullen worden. Ook zal een door zijn omvang logger en bureaucratischer rechtsbedrijf als de arrondissementsrechtbank de toegangsdrempel wellicht verhogen. Dat zal in de ogen van de kantonrechters leiden tot een verminderde 'zorg' voor de burger en een vermindering van de kwaliteit van het werk.

Volgens gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) deden kantonrechters in 1993 samen 204.800 civiele zaken af met een eindvonnis of een eindbeschikking. De rechtbanken wezen in dat jaar samen 47.300 vonnissen en beschikkingen. Door die grote capaciteitsverschillen zouden de rechtbanken wat betreft hun juridische en administratieve ondersteuning niet zijn ingesteld op de seriematige verwerking van zulke grote hoeveelheden zaken. Door de gevreesde vertragingen van de procedures zouden de activiteiten die de kantongerechten nu verrichten mogelijk ook te duur worden voor de overheid en voor burgers die 'klein' willen procederen.

Maar de kantonrechters voelen weinig voor de aanstaande reorganisatie. Zij vinden dat zij nu nog functioneren als autonome rechtsprekers in een goedlopende organisatie, in tegenstelling tot de rechtbanken. De doelen die worden nagestreefd met deze tweede fase van de herziening van de rechterlijke organisatie, zijn volgens de kantonrechters te vaag om succesvol te kunnen worden. Minister Sorgdrager (justitie) wil met de integratie van de kantonrechtspraak in die van de arrondissementsrechtbanken één instantie creëren waarin alle gewone en bestuursrechtelijke zaken in eerste aanleg kunnen worden aangebracht.

Sorgdrager vermoedt dat het risico op een verstoring van de rechtseenheid wordt verminderd als er minder gerechten zijn. Bovendien schept de samenvoeging de mogelijkheid om doorgaans uiterst ervaren en produktieve kantonrechters in te zetten in moeilijke zaken bij de rechtbanken, en de veelal onervaren rechters meer eenvoudige zaken te laten afdoen. De toetreding van de oud-kantonrechters geeft de arrondissementsrechtbanken bovendien een “kwaliteitsimpuls”. De Raad van State ziet die voordelen op lange termijn ook. Maar overheersend lijken de zorgen over de grote veranderingen die de rechterlijke macht de laatste jaren toch al over zich heen heeft gekregen en die een nieuw grootscheeps reorganisatieproces zal bemoeilijken. Een greep: de invoering van het Nieuw Burgerlijk Wetboek in 1992, de inwerkingtreding van de Algemene Wet Bestuursrecht in 1994 en de voltooiing van de eerste fase van de herziening van de rechterlijke organisatie. Voor een aantal rechtbanken kwam daar nog het herziene stelsel van rechtsbescherming in vreemdelingenzaken bij, maart 1994. Uit onderzoek van de Katholieke Universiteit Brabant is gebleken dat met name de eerste fase van de herziening al veel extra druk heeft gelegd op het werk van de rechtbanken.

    • Rob Schoof