In Angulo wordt gevloekt in het Engels, Spaans en Frans

CEUTA, 19 JULI. Een lange rij zwarte mannen wacht voor een grote pot met witte bonen, hun mokken en borden vol verwachting in de aanslag. De stank van urine en uitwerpselen, die als een zware deken tussen de oude vestingmuren hangt, vermag de eetlust van de wachtenden niet te bederven. Gulzig wordt de prak tot en met de laatste hap naar binnen gewerkt. De zwermen vliegen hebben het nakijken.

Het is etenstijd in de Angulo, het kampement in Ceuta waar omstreeks 250 Afrikaanse vluchtelingen zich hebben teruggetrokken. De nationale vlag wappert fier boven de oude vestingwerken van deze enclave in Marokko, door slechts twintig kilometer water gescheiden van het Spaanse vasteland. Maar verder doet weinig in dit eigenhandig ingerichte 'grenshospitium' er aan herinneren dat men zich op Spaanse bodem bevindt.

Hier, aan de zuidelijke poort van Europa, zitten asielzoekers al maanden - sommige zelfs langer dan een jaar - in een omgeving die zich nog het best laat vergelijken met een vluchtelingenkamp in de buurt van een slagveld. Dicht opeengepakt in barakken en gewelven bivakkeren honderden asielzoekers op smerige matrassen. Onder de golfplaten dakbedekking verandert het onderkomen gedurende de dag in een oven.

Stromend water is er het grootste deel van de dag niet - ook Ceuta kent strenge waterrestricties in verband met de droogte. Uit de schaarse wc's en douches in een ruimte die ooit betegeld moet zijn geweest stijgt een ondraaglijke lucht. Op houtvuur wordt water gekookt in oude conservenblikken, ergens klinkt een transistorradio. Er wordt gevloekt en geklaagd, in het Frans, Spaans, Engels.

De meeste asielzoekers zijn in de twintig en naar eigen zeggen student. Zoals Gilchrist Ntizamira, een 27-jarige student in de letteren uit Rwanda die zijn land ontvluchtte. In de haven van Dar-es-Salaam in Tanzania klom hij samen met een vriend aan boord van een cruise-schip. Na zich wekenlang verborgen te hebben gehouden in het ruim - 's nachts werd de keuken van het schip aangedaan voor eten en drinken - ging hij in Ceuta van boord. “Ik heb zeven maanden geleden een aanvraag ingediend voor politiek asiel”, zegt Gilchrist Ntizamira. “Tot nu toe is alles afgewezen.”

Behalve uit Rwanda zijn er vluchtelingen uit Liberia, Somalië, Burundi, Kameroen, en enkele Algerijnen. Binnen Ceuta, dat niet meer is dan een schiereiland schuin tegenover Gibraltar, kunnen zij zich vrij bewegen. Maar voor het overige bevinden de vluchtelingen zich in een bureaucratische val.

Pag. 5: CEUTA; Asielzoekers in de val van 'grenshospitium' Ceuta

Vluchtelingen in de rij voor eten in Ceuta. (Foto Steven Adolf) In Europa worden ze vooralsnog niet toegelaten en Marokko weigert eveneens de doorgang. Er zit niets anders op dan te wachten, zegt Gilchrist Ntizamira. Geld heeft hij niet, hoop steeds minder.

De spanning in Ceuta onder de groep vluchtelingen is de afgelopen maanden dan ook sterk opgelopen. Vorig week ontaardde een protestmars van de asielzoekers in een vechtpartij met de politie. Er werd geschoten met traangas en rubberkogels, vanaf de muren van de Angulo werd met stenen gegooid. Een aantal asielzoekers raakte gewond of werd gearresteerd. “Twee dagen hebben ze me vast gehouden”, aldus een van hen verontwaardigd. “We werden geslagen en voor smerige beesten uitgemaakt. En dat terwijl zich doktoren en intellectuelen onder ons bevinden.”

Tot dusver is het vooral Padre José Béjar van de lokale parochie Nuestra Señora de Africa die zich heeft bekommerd om het lot van de vluchtelingen, waarvan velen zich in een slechte lichamelijke conditie bevinden. “Zo behandel je zelfs dieren niet”, vat de padre de situatie in de Angulo samen. In zijn werkkamer naast de kerk is het een chaotische drukte van asielzoekers. Béjar organiseert voedseltransporten en helpt de vluchtelingen bij hun asielaanvragen. Inmiddels hebben ook een aantal onafhankelijke hulporganisaties zich samen met de immigratie-autoriteiten over de vluchtelingen ontfermd. Maar door een gebrek aan geld gaat het werk moeizaam en traag, verklaart Béjar. Inmiddels zijn 26 vluchtelingen met een tijdelijke verblijfsvergunningen naar de overkant gebracht.

Nadat de druk op de zuidelijke grens van het “Fort Europa” de afgelopen jaren sterk is verminderd, vrezen mensenorganisaties in Spanje dat de stroom politieke vluchtelingen en gelukszoekers dit jaar weer zal toenemen. Afgezien van de vluchtelingen die in Ceuta stranden is er een veel groter deel - vooral Marokkanen en Algerijnen - dat illegaal de oversteek waagt van het “Estrecho”, de Straat van Gibraltar. “Dit kan een rampzalige zomer worden”, zegt Rafael Lara van de Vereniging voor de mensenrechten in Cádiz. Verscholen in containers en vrachtwagens, maar vooral in overbeladen motorsloepen trachten vluchtelingen de oversteek te maken.

De ruim twintig kilometer lange kust tussen Algeciras en Tarifa - met hun indrukwekkend uitzicht op bergen aan de Marokkaanse overkant - geldt daarbij als het voornaamste aanlegpunt. 's Nachts staat de plek bekend om zijn drukke verkeer met smokkelaars, politieagenten en boot-immigranten. De loeiende Levante-winden kunnen de zee hier doen veranderen in een woest golvende watermassa. Na twee jaar zonder doden zijn de afgelopen maanden op de stranden reeds drie lichamen gevonden van verdronken immigranten. Een eerste indicatie dat de vlucht weer toeneemt, meent Lara. Schrikbeeld blijft voor hem de jaren 1991 en 1992, waarin de nieuwe vreemdelingenwetgeving in Spanje in werking trad en de grenscontroles werden verscherpt. Honderden verdronken vluchtelingen spoelden aan. “We vermoeden dat in die jaren tienduizenden de oversteek hebben gemaakt”, zegt Lara. “We schatten dat zeker duizend mensen in twee jaar zijn verdronken.”

De vluchtelingenorganisaties wijt de toename van de immigratie aan de verslechterde levensomstandigheden door de jarenlange droogte. Daarnaast wordt de fundamentalistische terreur in Algerije als een van de oorzaken genoemd. Bovendien wordt gevreesd dat Marokko de vluchtelingenstroom toepast als politiek drukmiddel in de verslechterde verhouding met de Spaanse buren. De spanningen zijn hoog opgelopen over de vernieuwing van het visserij-akkoord en een versoepeling van de landbouwexport.

Inmiddels hebben sommige smokkelaars, vissers en taxichauffeurs een lucratieve handel ontdekt in de vluchtelingen, hetgeen de oversteek er niet minder riskant op heeft gemaakt. Voor een oversteek wordt tot tweeduizendend gulden gerekend, wat overigens nog geen garantie is dat het laatste deel van de zeetrip zwemmend moet worden afgelegd. Eenmaal aan wal zijn er taxichauffeurs die duizend gulden vragen om hun slachtoffers van het platteland naar de stad te brengen. Volgens verschillende verklaringen leveren de taxichauffeurs hun vracht vervolgens uit aan de politie.

De lokale politievakbonden hebben inmiddels publiekelijk gewaarschuwd voor de mensenhandel. Omdat het strafrisico beduidend minder groot is en de opbrengsten aanmerkelijk hoger, zou de smokkel van mensen de traditionele hasj-transporten wel eens van hun plaats kunnen dringen, zo vrezen de bonden.