Honden, paarden en soldaten in collectie van Liechtenstein

Tentoonstelling: Collecties van de prins van Liechtenstein. T/m 3 sept. Musée National d'histoire et d'art. Marché-aux-poissons Luxembourg. Di, wo, vr, za-zo 10-18u, do 10-20u.

De negentiende-eeuwse kinderportretjes van Marie Franziska, Karoline en Sophie von Liechtenstein zouden niet misstaan in een reclame voor luxe babyzeep. Ze vallen daarom nogal uit de toon op de tentoonstelling in het Musée National d'histoire et d'art, waar de collecties van de prins van Liechtenstein te zien zijn. Elders op de expositie is zulke fondant-kunst ver te zoeken. De meeste werken ademen juist een stoere mannen-sfeer, gedomineerd door kruitdamp, wapengekletter en hoefgetrappel.

Aan de kunstwerken te oordelen is de belangstelling van de prinsen van Liechtenstein generaties lang uitgegaan naar paarden, honden, jachtbuit, soldaten en wapens. Ruwweg de helft van de 122 catalogusnummers houdt met één van die onderwerpen verband. Twee museumzaaltjes zijn gevuld met kunstig bewerkte pistolen, karabijnen en geweren. Even verderop illustreren enkele schilderijen de werking van al dit wapentuig. Aanval op een koets door Philips Wouwerman toont een groep bewapende ruiters die elkaar met ware doodsverachting te lijf gaan.

In het bijna twee eeuwen later door Peter Krafft geschilderde Overwinnaars van Aspern is het krijgsgewoel wat meer naar de achtergrond verdrongen. In deze slag, die in 1809 nabij Wenen werd uitgevochten, leed Napoleon zijn eerste nederlaag tegen de Oostenrijkers. Prins Johann Joseph I von Liechtenstein had een belangrijk aandeel in die overwinning. Zijn voorvaderen hadden in de voorgaande eeuwen overigens ook al de nodige militaire diensten bewezen aan het Heilige Roomse keizerrijk en de Habsburgers.

De basis van de huidige verzameling van de dynastie werd in het begin van de zeventiende eeuw gelegd door Karl von Liechtenstein, die daarbij wellicht geïnspireerd werd door zijn keizer: de kunstminnaar en maecenas Rudolf II. Een van de oudste werken op de tentoonstelling is een beeld van de lijdende Christus dat door de prins werd besteld bij de Nederlandse beeldhouwer Adriaen de Vries (1545-1626). De erfgenamen van Karl vulden de collectie verder aan met sculpturen, porselein, wapens en - vooral - schilderijen uit de Nederlandse, Vlaamse en Duitse school. Tot 1938 verbleef de collectie in het familiepaleis in Wenen. Na de Anschluss met Duitsland besloot prins Franz Josef II zich in Vaduz te vestigen, een stadje dat in 1712 al door de familie was verworven.

Ook de collectie verblijft sinds 1938 in de hoofdstad van het dertigduizend inwoners tellende staatje Liechtenstein. De kunstschat vormt geen toeristische attractie, om de eenvoudige reden dat ze niet voor het publiek toegankelijk is. Tot dusverre werd daarop twee keer een uitzondering gemaakt. In 1948 (Luzern) en 1985 (New York) kon het publiek kennismaken met de rijkdommen uit het privé-bezit van de prins van Liechtenstein. Dat Luxemburg zich nu als derde in dat rijtje voegt, heeft veel te maken met de uitstekende betrekkingen die de vorstenhuizen van beide dwergstaatjes met elkaar onderhouden. De families zijn zelfs gerelateerd: de broer van Hans Adam, de huidige prins van Liechtenstein, is getrouwd met een dochter van de Luxemburgse groothertog Jan.

Met welke criteria er een keuze uit de omvangrijke collectie is gemaakt wordt in Luxemburg nergens duidelijk. Dat het krijgsbedrijf en de jacht zo prominent aanwezig zijn lijkt althans geen vooropgezette bedoeling van de samenstellers te zijn geweest. Naast bonte stillevens met dood wild door Jan Fijt en Dirk Valkenburg en een serie mythologische jachttaferelen door de Italiaan Marcantonio Franceschini duikt de jacht ook op in een sprookjesachtig St. Hubertus tafereel van Lucas Cranach de oude.

Een ander topstuk uit de Duitse school is een portret van een zwaar loenzende jongeman door een anonieme meester; alleen zijn initialen (A.G.) zijn bekend. Van Peter Paul Rubens zijn maar liefst vijf werken te zien in Luxemburg. Het intieme portretje dat hij van zijn dochter Clara Serena Rubens schilderde (ze zou op twaalfjarige leeftijd overlijden), springt daarvan het meest in het oog. Ook zeventiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst is met werken van onder meer Steen, Van Ruysdael, Flinck, Schalcken, Van de Velde en De Heem goed vertegenwoordigd.

Hoewel de meeste schilderijen met zorg zijn uitgelicht en opgehangen is het Musée National eigenlijk niet zo'n goede lokatie voor een tentoonstelling als deze. Steeds als de hoofddeur in de eerste zaal openzwaait begint het vernis van Rubens' Inwijding van Decius Mus hinderlijk te blinken. En het samenraapsel van zalen en zaaltjes is zo onoverzichtelijk dat je - na alle vertrekken nog eens te zijn nagelopen - de indruk blíjft houden een afdeling over het hoofd te hebben gezien.

Gelet op de gretigheid waarmee Luxemburg zichzelf als voorvechter van de Europese eenwording profileert is het merkwaardig dat de tekstbordjes louter Franstalig zijn. De bezoeker moet maar weten dat met een 'cheval pie du haras' een bontgevlekt paard uit de stoeterij bedoeld wordt. Verdere uitleg (wiens paard was dit en waarom werd er een kolossaal portret van geschilderd?) ontbreekt ook in de franstalige catalogus.

Knullig is verder dat de collectie oude kunst van het Musée National - schilderijen uit de Italiaanse, Hollandse en Vlaamse school, waaronder een portret door Rubens - naar het depot is verbannen. Natuurlijk: er moest ruimte worden gemaakt voor de huidige tentoonstelling. Maar kon er, in het jaar dat het schatrijke Luxemburg zichzelf Culturele hoofdstad van Europa mag noemen, echt geen andere plek worden gevonden om deze werken tijdelijk op te hangen?